Belgische Hof van Cassatie 16 mei 2002

Samenvatting

VOLLEDIGE WETTEKST VAN HET ARREST

  V.F., wonende te
  eiser,
  vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  tegen
  1. V.J., wonende te ,
  2. V.R. wonende te ,
  3. V.R., wonende te
  verweerders,
  vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
  I. Bestreden beslissing
  Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 juni 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

  II. Rechtspleging voor het Hof
  Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht.
  Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
  III. Middel
  Eiser voert in zijn verzoekschrift één middel aan.
  Geschonden wettelijke bepalingen
  - artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zoals uitgelegd bij wet van 4 januari 1960 en gewijzigd bij wet van 14 mei 1981.
  Aangevochten beslissingen
  Het Hof van Beroep te Antwerpen, rechtdoende bij het bestreden arrest op verweerders' hoger beroep, ontvangt dit hoger beroep, vernietigt het vonnis van de eerste rechter in de mate dat de oorspronkelijke vordering van de verweerders met betrekking tot het bepalen van de gerechtigheden van partijen in de te vereffenen en te verdelen onroerende goederen werd afgewezen en, opnieuw erover rechtdoende, verklaart deze vordering gegrond en zegt voor recht dat, rekening houdend met het definitief door eiser in de nalatenschap van vader ontvangen aandeel van 1,25/32sten, de verweerders recht hebben op elk 7,6875/32 deel en eiser op 8,9375/32 deel in de in onverdeeldheid zijnde onroerende goederen behorende tot de huwelijksgemeenschap en de nalatenschappen van hun beide ouders en bevestigt het vonnis voor het overige, op grond :
  "dat blijkens akte van schenking van 12 mei 1986, verleden voor notaris P. S. te Antwerpen met tussenkomst van notaris J. V.C. te Lier wijlen J. V., vader van partijen, aan (eiser) heeft geschonken 5/32sten onverdeelde paarten naakte eigendom in de onroerende goederen waarvan thans de vereffening-verdeling wordt gevorderd;
  dat voormeld aandeel werd geschonken als volgt :
  - 3,75/32sten als voorschot op erfdeel
  - 1,25/32sten bij vooruitgift met vrijstelling van inbreng; dat (de verweerders) in deze akte van schenking zijn tussengekomen om goed te keuren en hun akkoord ermede te geven;
  (...) dat het in deze gaat om een formele openlijke schenking van naakte eigendom; dat het vermoeden van schenking theoretisch enkel nog het voorbehoud van het vruchtgebruik kan betreffen; dat evenwel indien het vruchtgebruik in feite niet werd voorbehouden dit voor de reservatairen geen verschil uitmaakt; hun rechten worden pas vastgesteld bij het openvallen van de nalatenschap en dan heeft het vruchtgebruik opgehouden te bestaan;
  (...) dat nu (de verweerders) met de schenking hebben ingestemd in principe de mogelijkheid wordt ontnomen nog reservataire aanspraken op het geschonkene te laten gelden (Cass. 8 oktober 1992, Rev. Not. B., 1992, 579); dat bovendien in deze de door de vader gedane schenking het beschikbaar deel niet overtreft : gelet op zijn gerechtigheden in de kwestieuze onroerende goederen na het overlijden van moeder, 20/32sten (1/2 volle eigendom in het gemeenschappelijk vermogen, dit is 16/32sten en 1/4 volle eigendom in de nalatenschap van moeder, dit is 4/32sten) kon 5/32sten worden geschonken;
  (...) dat schenking met voorbehoud van vruchtgebruik kan worden gedaan als voorschot op erfenis; dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek wel een vermoeden van schenking buiten erfdeel schept doch slechts geldt voor zover er geen andere duidelijke wil werd uitgedrukt; dat dit in deze wel het geval is althans wat betreft het aandeel van 3,75/32sten; dat (eiser) geldig heeft erkend dat de schenking van 3,75/32sten als voorschot van erfenis werd gedaan; dat derhalve dit geschonken aandeel moet worden ingebracht;
  (...) dat alle partijen in de nalatenschap van hun moeder ten belope van 3/32sten (1/4 van 12/32sten) gerechtigd zijn; dat de nalatenschap van vader omvat : 16/32sten (de helft huwelijksgemeenschap en 4/32sten uit de nalatenschap van moeder) dit is 20/32sten; dat (eiser) daarvan 1,25/32sten definitief heeft gekregen;
  dat derhalve het saldo nalatenschap vader, met name 18,75/32sten onder alle partijen ten belope van 1/4 dient te worden verdeeld (elk 4,6875/32sten);
  (...) dat samenvattend dient gesteld dat partijen in de onroerende goederen, waarvan de vereffening-verdeling wordt gevorderd, niet tot beloop van  volle eigendom elk gerechtigd zijn; dat (eiser) alleszins 1,25/32sten reeds definitief heeft gekregen en de ongelijke behandeling van de kinderen dus vaststaat; dat (eiser) terecht stelt dat hij in de in de nalatenschap van vader in te brengen 3,75/32sten mede-gerechtigd is zodat (de verweerders) dit niet enkel onder hun drie kunnen verdelen; dat de door (de verweerders) in hoofdorde gemaakte rekening dan ook onjuist is; dat de gerechtigheden van partijen in de betreffende onroerende goederen dienen te worden bepaald, zoals door (de verweerders) in uiterst ondergeschikte orde gevorderd".
  Grieven
  Luidens artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek wordt de waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn vervreemd zijn, hetzij met last van een lijfrente, hetzij met afstand van het kapitaal, of met voorbehoud van het vruchtgebruik, toegerekend op het beschikbaar gedeelte, en wordt het overschot, indien er een is, in de massa gebracht.
  Deze toerekening en deze inbreng kunnen blijkens het tweede lid niet gevorderd worden door degenen onder de overige erfgerechtigden in de rechte lijn die in deze vervreemding hebben toegestemd.
  Uit deze bepaling volgt zodoende, enerzijds, een onweerlegbaar vermoeden dat de vervreemding gedaan onder hoger vermelde voorwaarden zonder meer moet worden geacht een schenking in volle eigendom te zijn, die wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte, anderzijds, een onweerlegbaar vermoeden, ingesteld in het voordeel van de verkrijger, dat de schenking ten aanzien van de overige erfgerechtigden die in de akte instemden werd gedaan met vrijstelling van toerekening op het beschikbaar gedeelte en van inbreng, zodat deze erfgenamen noch de toerekening van de kwestieuze schending op het beschikbaar gedeelte noch de inbreng zullen kunnen vorderen.
  De wet van 4 januari 1960 tot interpretatie van dat artikel 918 bepaalt uitdrukkelijk dat de uitdrukking "goederen die (...) vervreemd werden" van toepassing is "op elke vervreemding, hetzij om niet of onder bezwarende titel".
  De wet viseert zodoende iedere schenking met voorbehoud van vruchtgebruik zonder enige andere, bijkomende vereiste te stellen, onder meer wat betreft het bedingen door de schenker van een inbreng of van een vrijstelling van inbreng.
  Er bestaat bijgevolg aanleiding tot toepassing van voornoemde regeling, vervat in artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zodra er sprake is van een vervreemding in de zin van het eerste lid van voornoemd artikel, en dit ongeacht de kwalificatie die hieraan door partijen werd gegeven.
  Het bestreden arrest stelt te dezen uitdrukkelijk vast dat er sprake was van een schenking van naakte eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik en dat de verweerders instemden met de schenking.
  Hieruit volgt dat het hof van beroep, gelet op de in het bestreden arrest gedane vaststellingen, niet wettig kon beslissen dat eiser zich met betrekking tot de schenking van 3,75/32sten in de onroerende goederen met voorbehoud van vruchtgebruik niet kon beroepen op het bij artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vermoeden van schenking buiten erfdeel en bijgevolg evenmin op het in het voordeel van de verkrijger der goederen ingestelde vermoeden van vrijstelling van toerekening op het beschikbaar gedeelte en van inbreng opzichtens de erfgenamen die met de vervreemding hebben ingestemd en derhalve zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek), in ieder geval door aan te nemen dat in de akte geen andere duidelijke wil, afwijkend van het in dat artikel vastgelegde onweerlegbare vermoeden van schenking buiten erfdeel, mag zijn uitgedrukt aan artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek een voorwaarde toevoegt die dit niet bevat (schending van diezelfde wetsbepaling) en bijgevolg niet wettig kon beslissen dat de schenking moest worden aangerekend op eisers voorbehouden erfdeel (schending van diezelfde bepaling).

  IV. Beslissing van het Hof
  Overwegende dat, krachtens artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, de waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn zijn vervreemd, met voorbehoud van het vruchtgebruik, wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte, en het overschot, indien er een is, wordt ingekort;
  Dat de wet van 4 januari 1960 tot interpretatie van dat artikel 918 bepaalt dat de uitdrukking "goederen die (...) vervreemd zijn" toepasselijk is op elke vervreemding, hetzij om niet of onder bezwarende titel;
  Dat artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek aldus voor de schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik aan erfgerechtigden in de rechte lijn een dubbel vermoeden instelt, eensdeels, in het voordeel van de reservataire erfgenamen en ter bescherming van hun voorbehouden deel, dat die schenking de waarde in volle eigendom van het geschonken goed betreft en, anderdeels, in het voordeel van de begiftigde reservataire erfgenaam, dat die schenking met vrijstelling van inbreng is gedaan en moet worden toegerekend op het beschikbaar gedeelte;
  Dat dit laatste vermoeden niet strekt tot bescherming van het voorbehouden erfdeel en aan de schenker geen verplichting oplegt ongelijkheid tussen de toekomstige reservataire erfgenamen tot stand te brengen; dat aldus een schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik kan geschieden, geheel of gedeeltelijk, als voorschot op nalatenschap;
  Dat dergelijke schenking zal dienen te worden aangerekend op de reserve van de erfgenamen en niet op het beschikbaar gedeelte;
  Overwegende dat het voormelde artikel 918 verder bepaalt dat de toerekening op het beschikbaar gedeelte en de inkorting niet kunnen worden gevorderd door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die in deze vervreemdingen hebben toegestemd;
  Dat dit enkel het geval is in zoverre de schenking met toepassing van de eerste regel van artikel 918 moet worden aangerekend op het beschikbaar gedeelte en niet in zoverre de schenking moet worden aangerekend op de reserve van de erfgenamen wegens een uitdrukkelijk beding in de schenkingsakte dat de schenking geschiedt als voorschot op de nalatenschap;
  Dat het middel faalt naar recht;
  OM DIE REDENEN,
  HET HOF,
  Verwerpt de voorziening;
  Veroordeelt eiser in de kosten.
  De kosten begroot op de som van vijfhonderd negenennegentig euro drie cent jegens de eisende partij en op de som van honderd een euro zesenzeventig cent jegens de verwerende partijen.
  Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zestien mei tweeduizend en twee uitgesproken door voorzitter raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.