Belgisch Burgerlijk Wetboek - Boek III. - Titel II. - Schenkingen onder de levenden en testamenten: Hoofdstuk III. - Beschikbaar gedeelte der goederen en inkorting

Afdeling II. - Beschikbaar gedeelte der goederen

Wettekst anno 2006:
Art. 913. De giften, hetzij bij akten onder de levenden, hetzij bij testament, mogen de helft van de goederen van de beschikker niet overschrijden, indien hij bij zijn overlijden slechts één kind achterlaat; een derde, indien hij twee kinderen achterlaat; een vierde, indien hij er drie of meer achterlaat.

Art. 914. In het vorige artikel worden onder de naam kinderen begrepen de afstammelingen in welke graad zij ook zijn; zij worden evenwel slechts gerekend voor het kind waarvan zij in de nalatenschap van de beschikker de plaats vervullen.

Art. 915. De giften bij akten onder de levenden of bij testament mogen de helft van de goederen niet overschrijden, indien de overledene, bij gebreke van kinderen, in de vaderlijke en in de moederlijke lijn een of meer bloedverwanten van de opgaande lijn achterlaat; en drie vierden, indien hij slechts in één lijn bloedverwanten van de opgaande lijn achterlaat.

De giften aan de langstlevende echtgenoot mogen evenwel de gehele nalatenschap omvatten.

De bloedverwanten van de opgaande lijn verkrijgen de aldus te hunnen voordele voorbehouden goederen, volgens de orde waarin de wet hen tot de erfenis roept; zij alleen hebben recht op dit voorbehouden erfdeel, in alle gevallen waarin een verdeling met bloedverwanten van de zijlijn hun het gedeelte der goederen dat het voorbehouden erfdeel uitmaakt, niet zou verschaffen.

Art. 915bis. § 1. Niettegenstaande elke andersluidende bepaling verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de helft van de goederen van de nalatenschap.

§ 2. Giften bij akte onder de levenden of bij testament mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad.
  In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten heeft dit vruchtgebruik betrekking op het onroerend goed waarin de echtgenoten hun laatste echtelijke verblijfplaats hadden gevestigd en op het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de langstlevende echtgenoot daar is blijven wonen of tegen zijn wil verhinderd werd dat te doen en de toewijzing van dit vruchtgebruik voldoet aan de eis van billijkheid.

Dat vruchtgebruik wordt toegerekend op het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge § 1, evenwel zonder daartoe beperkt te zijn.

§ 3. De rechten bedoeld in §§ 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater, voor zijn overlijden, bij een gerechtelijke akte als eiser of als verweerder een afzonderlijk verblijf had gevorderd en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.

Deze bepaling is niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht.

§ 4. Wanneer de langstlevende echtgenoot opkomt samen met erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel tekent, wordt zijn voorbehouden erfdeel naar evenredigheid toegerekend op dat van de medeërfgenamen en op het beschikbaar gedeelte.

§ 5. Van het bepaalde in dit artikel kan worden afgeweken in het geval als bedoeld in artikel 1388, tweede lid.

Art. 916. Bij gebreke van een langstlevende echtgenoot, van bloedverwanten in de opgaande en in de nederdalende lijn mogen de giften, bij akten onder de levenden of bij testament, de gehele nalatenschap omvatten.

Art. 917. Bestaat de beschikking, bij akte onder de levenden of bij testament, in een vruchtgebruik of in een lijfrente waarvan de waarde het beschikbaar gedeelte overschrijdt, dan hebben de erfgenamen aan wie de wet een voorbehoudend erfdeel toekent op grond van artikel 913 of 915, de keus, ofwel de beschikking ten uitvoer te brengen, ofwel de eigendom van het beschikbaar gedeelte af te staan.

Art. 918. De waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn vervreemd zijn, hetzij met last van een lijfrente, hetzij met afstand van het kapitaal, of met voorbehoud van het vruchtgebruik, wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte; en het overschot, indien er een is, wordt in de massa ingebracht.
  Deze toerekening en deze inbreng kunnen niet worden gevorderd door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die in deze vervreemdingen hebben toegestemd, noch in enig geval door de erfgerechtigden in de zijlijn.

Art. 919. Het beschikbaar gedeelte kan, hetzij bij akte onder levenden, hetzij bij testament, geheel of ten dele gegeven worden aan de kinderen of aan andere erfgerechtigden van de schenker, zonder dat het moet worden ingebracht door de begiftigde of de legataris die tot de erfenis komt, op voorwaarde dat de beschikking uitdrukkelijk bij vooruitmaking of buiten erfdeel gemaakt wordt.
  De verklaring, dat de gift of het legaat bij vooruitmaking of buiten erfdeel gemaakt wordt, kan geschieden, hetzij bij de akte die de beschikking bevat, hetzij naderhand in de vorm van een beschikking onder de levenden of van een beschikking bij testament.