schenking
Belgisch Burgerlijk Wetboek - Boek III - Titel II. Schenkingen onder de levenden en testamenten
Hoofdstuk III. Beschikbaar gedeelte der goederen en inkorting

Eerste afdeling: Beschikbaar gedeelte der goederen

Artikel 918 anno 2007:

De waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn vervreemd zijn, hetzij met last van een lijfrente, hetzij met afstand van het kapitaal, of met voorbehoud van het vruchtgebruik, wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte; en het overschot, indien er een is, wordt in de massa ingebracht.

Deze toerekening en deze inbreng kunnen niet worden gevorderd door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die in deze vervreemdingen hebben toegestemd, noch in enig geval door de erfgerechtigden in de zijlijn.

Commentaar

Artikel 918 BW bevat in de geest die er in 1804 aan gegeven werd verschillende vermoedens:

1. Een vervreemding wordt geacht een schenking te zijn.

2. Deze schenking wordt geacht buiten erfdeel te zijn.

3. Heben de reservataire erfgenamen met deze vervreemding ingestemd, dan wordt er ergens vermoed dat de vervreemding ook oprecht vergoed werd en er dus geen sprake is van een schenking. (alinea 2)

In de loop der jaren werd van het artikel gebruik gemaakt om definitieve schenkingen aan bepaalde erfgenamen te doen, tot in 1950 het Hof van Cassatie een stok in de wielen heeft gestoken, door te bepalen dat vervreemden in de zin van artikel 918 BW geen schenking zou kunnen zijn. Een interpretatieve wat van 1960 heeft dit probleem opgelost door het tegenovergestelde van het Hof van Cassatie te bepalen.

Door deze gang van zaken werd het dankzij artikel 918 BW mogelijk om aan een kind een schenking te doen waarbij de andere kinderen instemden met die schenking, ook al kregen zij niets.