erfgenaam
Belgisch Burgerlijk Wetboek - Boek III - Eerste titel. Erfenissen

Hoofdstuk III. Onderscheiden orden in de erfopvolging

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 731. De erfenissen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de overledene, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn en aan zijn bloedverwanten in de zijlijn, in de orde en overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald.

Art. 732. De wet houdt bij het regelen van de erfopvolging geen rekening met de aard of met de oorsprong van de goederen.

Art. 733. Iedere erfenis die aan bloedverwanten in de opgaande lijn of aan bloedverwanten in de zijlijn te beurt valt, wordt verdeeld in twee gelijke delen : het ene voor de bloedverwanten van de vaderlijke lijn, het andere voor de bloedverwanten van de moederlijke lijn.
  De bloedverwanten enkel van moederszijde of van vaderszijde worden niet uitgesloten door de volle bloedverwanten; doch zij erven slechts in hun lijn, behoudens hetgeen in artikel 752 wordt bepaald. De volle bloedverwanten erven in beide lijnen.
  De erfenis gaat niet over van de ene lijn naar de andere, behalve wanneer in een van beide lijnen noch bloedverwant in de opgaande lijn, noch bloedverwant in de zijlijn bestaat.

Art. 734. Is deze eerste verdeling tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn gedaan, dan heeft geen verdere verdeling plaats tussen de verschillende takken; doch de aan elke lijn te beurt gevallen helft behoort aan de erfgenaam of aan de erfgenamen die de naaste in graad zijn, behoudens hetgeen hierna bepaald wordt omtrent het geval van plaatsvervulling.

Art. 735
. De afstand in bloedverwantschap wordt bepaald door het getal van de generaties; elke generatie wordt een graad genoemd.

Art. 736. De opvolging van graden maakt de lijn : men noemt rechte lijn de opvolging van graden tussen personen die de ene van de andere afstammen; zijlijn, de opvolging van graden tussen personen die niet de ene van de andere, maar van een gemene stamvader afstammen.
  In de rechte lijn onderscheidt men de rechte nederdalende lijn en de rechte opgaande lijn.
  De eerste verbindt de stamvader met de personen die van hem afstammen; de laatste verbindt een persoon met degenen van wie hij afstand.

Art. 737. In de rechte lijn rekent men zoveel graden als er generatie zijn tussen de personen : zo staat de zoon, met betrekking tot de vader, in de eerste graad; de kleinzoon, in de tweede; en zulks geldt wederkerig voor de vader en de grootvader, met betrekking tot zonen en kleinzonen.

Art. 738. In de zijlijn worden de graden bepaald door het getal van de generaties, te rekenen van een van de bloedverwanten tot aan de gemene stamvader, zonder deze mee te tellen, en vervolgens van deze tot aan de andere bloedverwant.
  Zo staan twee broeders in de tweede graad; oom en neef, in de derde graad; volle neven, in de vierde graad; en zoverder.

Wetsgeschiedenis