Erfgenaam.be

Titel I : Erfenissen - Hoofdstuk II. - Hoedanigheden vereist om te kunnen erven.

Art. 725. Om te kunnen erven moet men bestaan op het ogenblik dat de erfenis openvalt.
  Derhalve zijn onbekwaam om te erven :
  1° Hij die nog niet verwekt is;
  2° Het kind dat niet levensvatbaar is;

  Art. 726. Vreemdelingen hebben overal in het Rijk het recht om te erven, te beschikken en te verkrijgen op dezelfde wijze als de Belgen.

  Art. 727. Onwaardig om te erven en, als zodanig van de erfenissen uitgesloten, zijn :
  1° Hij die veroordeeld is om de overledene te hebben gedood of om te hebben gepoogd hem te doden;
  2° Hij die tegen de overledene een lasterlijk geoordeelde beschuldiging heeft ingebracht van een feit waarop levenslange opsluiting of levenslange hechtenis is gesteld;
  3° De meerderjarige erfgenaam die, kennis dragende van de op de overledene gepleegde doodslag, daarvan bij het gerecht geen aangifte heeft gedaan.

  Art. 728. Het nalaten van die aangifte kan niet worden ingeroepen tegen bloedverwanten van de opgaande of de nederdalende lijn van de moordenaar, noch tegen zijn aanverwanten in dezelfde graad, noch tegen zijn echtgenoot of zijn echtgenote, noch tegen zijn broeders of zusters, noch tegen zijn ooms en tantes, noch tegen zijn neven en nichten.

  Art. 729. De wegens onwaardigheid van de erfenis uitgesloten erfgenaam is gehouden tot de teruggave van alle vruchten en inkomsten waarvan hij sinds het openvallen van de erfenis het genot heeft gehad.

  Art. 730. De kinderen van de onwaardige, die uit eigen hoofde en niet bij plaatsvervulling tot de erfenis komen, zijn niet uitgesloten wegens de schuld van hun vader; maar deze laatste kan in geen geval, ten aanzien van de goederen van die erfenis, aanspraak maken op het vruchtgebruik dat door de wet aan de ouders op de goederen van hun kinderen wordt toegekend.

(Hierboven staat de wettekst anno 2006: wetsgeschiedenis)