Belgisch Burgerlijk Wetboek Boek 3 - Titel I. - Erfenissen - Hoofdstuk VI. - Verdeling en inbreng

Afdeling II. - Inbreng

Art. 843 : inbreng doen 

Art. 844 : inbreng doen

Art. 845 : nalatenschap verwerpen

Art. 846 : ten tijde van de schenking geen vermoedelijk erfgenaam

Art. 847 : Giften en legaten aan de zoon van hem die ten tijde van het openvallen van de erfenis erfgerechtigd is, worden steeds geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng.
  De vader die tot de erfenis van de schenker komt, is niet gehouden die giften en legaten in te brengen.

Art. 848. Eveneens is de zoon die uit eigen hoofde tot de erfenis van de schenker komt, niet gehouden de aan zijn vader gedane gift in te brengen, zelfs wanneer hij diens nalatenschap mocht aanvaard hebben; komt echter de zoon slechts bij plaatsvervulling op, dan moet hij het aan zijn vader geschonkene inbrengen, zelfs ingeval hij diens nalatenschap mocht hebben verworpen.

Art. 849. Giften en legaten aan de echtgenoot van een erfgerechtigde worden geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng.
  Zijn de giften en legaten gezamenlijk aan twee echtgenoten gedaan, van wie slechts één erfgerechtigd is, dan brengt deze laatste de helft daarvan in; zijn de giften gedaan aan de echtgenoot die erfgerechtigd is, dan brengt hij die geheel in.

Art. 850. Inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap van de schenker.

Art. 851. Wat gediend heeft om aan een van de medeërfgenamen een stand te verschaffen of om zijn schulden te betalen, is aan inbreng onderworpen.

Art. 852. Kosten van voeding, van onderhoud, van opvoeding, van het aanleren van een ambacht, gewone kosten van uitrusting, kosten van bruiloft en gebruikelijke geschenken zijn niet aan inbreng onderworpen.

Art. 853. Hetzelfde geldt omtrent de voordelen die een erfgenaam heeft kunnen behalen uit overeenkomsten met de overledene gesloten, indien deze overeenkomsten, toen zij werden aangegaan, geen onrechtstreekse bevoordeling opleverden.

Art. 854. (Opgeheven) <W 08-07-1983, art. 1>

Art. 855. Een onroerend goed dat door toeval en buiten de schuld van de begiftigde is teniet gegaan, is niet aan inbreng onderworpen.

Art. 856. De vruchten en de interesten van aan inbreng onderworpen zaken zijn eerst verschuldigd te rekenen van de dag dat de erfenis is opengevallen.

Art. 857. Inbreng is slechts verschuldigd door de medeërfgenaam aan zijn medeërfgenaam; hij is niet verschuldigd aan de legatarissen of aan de schuldeisers van de nalatenschap.

Art. 858. Inbreng geschiedt in nature ofwel door mindere ontvangst.

Art. 858bis : de langstlevende echtgenoot die een recht van vruchtgebruik bezit op de geschonken of de gelegateerde goederen

Art. 859 : Inbreng ten aanzien van onroerende goederen

Art. 860. De inbreng geschiedt alleen door mindere ontvangst, wanneer de begiftigde het onroerend goed voor het openvallen van de erfenis vervreemd heeft; als zodanig is verschuldigd de waarde van het onroerend goed op het ogenblik dat de erfenis is opengevallen.

Art. 861. In ieder geval moeten de uitgaven waardoor de zaak verbeterd is, aan de begiftigde vergoed worden, met inachtneming van de waardevermeerdering van de zaak ten tijde van de verdeling.

Art. 862. Aan de begiftigde moeten eveneens vergoed worden de noodzakelijke uitgaven die hij gedaan heeft tot behoud van de zaak, al is het erf daardoor niet verbeterd.

Art. 863. Van zijn kant moet de begiftigde instaan voor de beschadigingen die, door zijn toedoen of door zijn schuld en nalatigheid, de waarde van het onroerend goed verminderd hebben.

Art. 864. Ingeval het onroerend goed door de begiftigde vervreemd is, moeten de door de verkrijger aangebrachte verbeteringen of beschadigingen in rekening gebracht worden overeenkomstig de drie vorige artikelen.

Art. 865. Wanneer de inbreng in natura geschiedt, komen de goederen in de massa van de nalatenschap terug, zuiver en vrij van alle door de begiftigde daarop gelegde lasten; de hypothecaire schuldeisers kunnen evenwel bij de verdeling tussenkomen om te beletten dat de inbreng zou geschieden met bedrieglijke benadeling van hun rechten.

Art. 866. Wanneer de gift van een onroerend goed, aan een erfgerechtigde met vrijstelling van inbreng gedaan, het beschikbaar gedeelte te boven gaat, wordt het meerdere in natura ingebracht, indien de afscheiding van dit gedeelte gevoeglijk kan geschieden.
  In het tegenovergestelde geval, indien het meerdere groter is dan de helft van de waarde van het onroerend goed, moet de begiftigde het onroerend goed in zijn geheel inbrengen, met dien verstande dat hij uit de massa de waarde van het beschikbaar gedeelte voorafneemt; indien het beschikbaar gedeelte de helft van de waarde van het onroerend goed te boven gaat, kan de begiftigde het onroerend goed in zijn geheel behouden, met dien verstande dat hij minder ontvangt, en dat hij zijn medeërfgenamen in geld of op andere wijze vergoedt.

Art. 867. De medeërfgenaam die een onroerend goed in natura inbrengt, kan het bezit daarvan terughouden totdat de bedragen die hem verschuldigd zijn wegens uitgaven of verbeteringen, werkelijk terugbetaald zijn.

Art. 868 : De inbreng van roerende goederen

Art. 869. De inbreng van geschonken geld geschiedt door mindere ontvangst uit het gereed geld van de nalatenschap.
  Is daarvan geen voldoende hoeveelheid aanwezig, dan kan de begiftigde zich van de inbreng van gereed geld bevrijden door, tot het vereiste bedrag, roerende goederen en, bij gebreke daarvan, onroerende goederen van de nalatenschap af te staan.