Belgisch Burgerlijk Wetboek
Boek 3 - Eerste titel. Erfenissen - Hoofdstuk VI. - Verdeling en inbreng:

Afdeling 4 : Gevolgen van de verdeling en vrijwaring van de kavels


Art. 883. Ieder medeërfgenaam wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap hebben gehad.

  Art. 884. De medeërfgenamen moeten elkaar alleen voor die stoornissen en uitwinningen vrijwaren, waarvan de oorzaak voor de verdeling bestond.
  Vrijwaring vindt niet plaats, wanneer de ondergane uitwinning bepaaldelijk is uitgezonderd door een bijzonder en uitdrukkelijk beding van de akte van verdeling; zij houdt op wanneer de medeërfgenaam door eigen schuld uitwinning ondergaat.

  Art. 885. Ieder medeërfgenaam is persoonlijk gehouden, naar evenredigheid van zijn erfdeel, zijn medeërfgenaam schadeloos te stellen voor het verlies dat de uitwinning hem heeft veroorzaakt.
  Indien een van de medeërfgenamen onvermogend is, wordt het door hem verschuldigde aandeel gelijkelijk omgeslagen over de gevrijwaarde en alle erfgenamen die in staat zijn te betalen.

  Art. 886. De vordering tot vrijwaring tegen het onvermogen van de schuldenaar van een rente kan slechts worden ingesteld binnen vijf jaren na de verdeling. Er bestaat geen grond tot vrijwaring wegens het onvermogen van de schuldenaar, wanneer dit pas na het voltrekken van de verdeling is ontstaan.