verdeling
Belgisch Burgerlijk Wetboek : Boek 3 - Titel I. - Erfenissen
Hoofdstuk VI. - Verdeling en inbreng:
Afdeling I. - De rechtsvordering tot verdeling en haar vorm

Art. 826. Onverminderd de rechten van de langstlevende echtgenoot bepaald in artikel 745quater, § 2, en het voorkeurrecht bepaald in artikel 4 van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen en het recht van overname zoals bepaald in de wet op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, kan ieder van de medeërfgenamen zijn deel van de roerende en de onroerende goederen der nalatenschap in natura vorderen, met uitzondering van de goederen bedoeld bij artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

  Evenwel, indien het gereed geld, de bankrekeningen en de beleggingswaarden aan toonder, behorend tot de massa, niet voldoende lijken om het passief aan te zuiveren, kan iedere deelgenoot die tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap gehouden is, voor enige verdeling in natura, de verkoop van de onverdeelde, ter voldoening van de schulden en lasten noodzakelijke goederen vorderen, tenzij de medebelanghebbenden hem een voldoende zekerheid tegen enig verhaal verschaffen. Behoudens andersluidende beslissing van de rechtbank, worden de onverdeelde goederen besteed ter voldoening van het passief, in de onderstaande volgorde :
  1° het geld en de bankrekeningen;
  2° de openbare fondsen, genoteerd op een beurs van het Rijk;
  3° de lichamelijke roerende goederen;
  4° de effecten op naam, de schuldvorderingen en andere onlichamelijke roerende goederen;
  5° de onroerende goederen.

Wetsgeschiedenis