Wetboek der successierechten

Hoofdstuk VII : Vrijstellingen en verminderingen

Artikel 54

Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het recht van successie of van het recht van overgang bij overlijden vrijgesteld tot beloop van de som bekomen door toepassing van de volgende formule :

(3.000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief « in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden » van tabel I van artikel 48;

(1.000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief « tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden « van tabel II van artikel 48.

Onder "gehandicapte persoon" wordt verstaan een persoon die overeenkomstig artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als gehandicapt wordt aangemerkt.

In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief « in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden » van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.

In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid samen met anderen onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48, wordt, in afwijking van artikel 48, de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt overeenkomstig artikel 48 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.

Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die in het kader van de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen. Het attest of de verklaring wordt bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet-tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 9°, van dit Wetboek.

-------------------
Art. 54 : opgeheven vanaf 01.01.97 bij art. 16, Decreet 20.12.1996,
          ingevoegd bij art. 60, Decreet 20.12.2002
          (B.S. 31.12.2002), met ingang van 01.01.2003.