erfgenaam

Boek III - Eerste titel. Erfenissen

Hoofdstuk III. Onderscheiden orden in de erfopvolging
Afdeling V. Erfopvolging in de opgaande lijn
Art. 746
   Wanneer de overledene geen nakomelingen heeft achtergelaten en ook geen broeder of zuster, of afstammelingen van dezen, wordt de nalatenschap in twee helften verdeeld tussen de bloedverwanten in de vaderlijke opgaande lijn en de bloedverwanten in de moederlijke opgaande lijn.
   De naaste in graad van de opgaande lijn bekomt, met uitsluiting van alle anderen, de aan zijn lijn toekomende helft.
   Bloedverwanten van de opgaande lijn, in gelijke graad, erven bij hoofden.


De grote kloving

Het idee achter een grote kloving is dat als:
- er geen afstammelingen meer zijn van de overledene
- er ook geen broers of zusters van de overledene meer in leven zijn
- en er ook geen afstammelingen van die broers of zusters zijn.
In dat geval wordt in feite de vermeninging van het bloed van de familie van de vader van de overledene en de familie van de moeder van de overledene stopgezet.
Vandaar dat het Burgerlijk Wetboek in 1804 voorzien heeft dat in dat geval de goederen terug moeten gesplitst worden tussen de twee families waarvan de overledene afstamt.
Er wordt wel geen rekening gehouden met de oorsprong van de goederen. Dus als een rijke trouwt met een arme, dan is dat goed voor de familie van de arme als het enige kind uit dat huwelijk sterft zonder zelf afstammelingen na te laten.

In het geval de overledene slechts 1 ouder nalaat, terwijl er sprake is van een grote kloving, zal volgens de regels van de grote kloving, deze enige ouder slechts de helft van de nalatenschap van zijn vooroverleden kind verkrijgen.
Toch voorziet het Burgerlijk Wetboek voor deze overblijvende ouder nog een/derde deel in vruchtgebruik op de andere helft van de nalatenschap indien daar geen bloedverwanten in opgaande lijn zijn (art. 754 BW). Dat is bij wijze van uitzondering op de grote kloving.