erfgenaam

Boek III - Eerste titel. Erfenissen
Hoofdstuk III. Onderscheiden orden in de erfopvolging
Afdeling V. Erfopvolging in de opgaande lijn

Art. 748
   Wanneer de ouders van een persoon die zonder nakomelingschap gestorven is, hem hebben overleefd, wordt, indien hij broeders, zusters of afstammelingen van dezen achtergelaten heeft, de nalatenschap in twee helften verdeeld, waarvan slechts ene toekomt aan de ouders, die deze onder elkaar gelijkelijk verdelen.
   De andere helft behoort aan de broeders en zusters of aan hun afstammelingen, zoals in afdeling VI van dit hoofdstuk wordt bepaald.

De ouders van de overledene mogen dan wel zijn erfgenaam zijn, maar ze erven steeds samen met de broers of zussen van de overledene.
Heeft slechts vader of moeder hun kind overleefd dan komt drie/vierde deel van zijn nalatenschap toe aan zijn broers of zussen (art. 749 BW).

Het is ook mogelijk dat de kinderloze overledene wel ouders heeft nagelaten, maar geen broers of zussen (of hun afstammelingen). In dat geval zullen (ook al is er sprake van een grote kloving) de ouders ieder de helft erven omdat ze ieder de dichtste in graad zijn in hun lijn.

Maar indien de overlede in dat geval slechts 1 ouder nalaat, zal deze enige overblijvende ouder niet alleen alles erven, omwille van de grote kloving (art. 746 BW). Deze enige overblijvende ouder van de overledene, krijgt nog wel een/derde deel vruchtgebruik op de helft van de nalatenschap die hij niet erft indien die helft door de zijverwanten van de overledene in de ander lijn wordt geerfd (art. 754 BW).