Wetboek van Successierechten : Hoofdstuk 15 : Verjaring
Artikel 137 - Artikel 138 - Artikel 139 - Artikel 140/1 - Artikel 140/2

Er is verjaring voor de eis:

1° van de rechten, interesten en boeten verschuldigd op een aangifte, na twee jaar te rekenen van de dag van de indiening der aangifte;

2° van de vordering tot schatting der goederen onderworpen aan dergelijke controle en van de rechten, interesten en boeten in geval van de te lage waardering van bedoelde goederen, na twee jaar; van de rechten, interesten en boeten in geval van te lage waardering van niet aan schatting onderworpen goederen, na tien jaar; dit alles te rekenen van de dag van de indiening der aangifte;

3° van de rechten, interesten en boeten verschuldigd in geval van afwezigheid van aangifte, of van verzuim van goederen in de aangifte, na tien jaar te rekenen van de dag waarop de termijn gesteld bij artikel 40 voor het inleveren der aangifte verstreken is. Indien de onregelmatigheid een in België gelegen onroerend goed betreft, ofwel renten en schuldvorderingen ingeschreven in de in België gehouden registers van de hypotheekbewaarders, wordt deze termijn tot vijf jaar verminderd.

In geval van overlijden in het buitenland, loopt de verjaring eerst van de dag van de inschrijving der akte van overlijden op de registers van de burgerlijke stand van het Rijk, ofwel van de dag waarop het bestuur kennis gekregen heeft van het overlijden door in het Rijk geregistreerde akten;

4° van de rechten, interesten en boeten, in geval van onjuistheid der in de aangifte aangeduide feiten, andere dan de waarde of de samenstelling der goederen, na vijf jaar te rekenen van de dag van de inlevering der aangifte;

5° van de ontdoken sommen en, desvoorkomend, van de wegens overtreding van artikel 83 opgelopen boeten, na vijf jaar te rekenen van de dag waarop de titels in betaling aangeboden werden;

6° van de wegens overtreding van de artikelen 34, 46, 95 tot 103/1, en 107 opgelopen boeten, na vijf jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding gepleegd werd;

7° van de boete gesteld bij artikel 125, na twee jaar te rekenen van de datum van de betekening van het dwangbevel.

Wanneer, overeenkomstig artikel 83/3, een aanbod tot inbetalinggeving wordt gedaan, gaat de in het eerste lid, 1°, bedoelde termijn slechts in, ten aanzien van de sommen die niet door de inbetalinggeving zijn voldaan ingevolge weigering of gedeeltelijke aanvaarding van het aanbod, vanaf de dag waarop het aanbod wordt geweigerd, of maar gedeeltelijk wordt aanvaard, hetzij qua goederen, hetzij qua waarde.