Belgisch Burgerlijk Wetboek - Boek III: Titel II. - Schenkingen onder de levenden en testamenten: Hoofdstuk III. - Beschikbaar gedeelte der goederen en inkorting

Afdeling II. - Inkorting van schenkingen en legaten

Art. 920. Beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij ter zake des doods, die het beschikbaar gedeelte overschrijden, kunnen na het openvallen van de erfenis tot dat gedeelte ingekort worden.

  Art. 921. Inkorting van beschikkingen onder de levenden kan alleen gevorderd worden door degenen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, en door hun erfgenamen of rechtverkrijgenden; de begiftigden, de legatarissen en de schuldeisers van de overledene kunnen deze inkorting niet vorderen, noch er voordeel van genieten.

  Art. 922. Om de inkorting te bepalen, vormt men een massa uit alle goederen die bij het overlijden van de schenker of erflater aanwezig waren. De goederen waarover hij bij schenking onder de levenden heeft beschikt, worden fictief daarbij gevoegd volgens hun staat ten tijde van de schenkingen en hun waarde ten tijde van het overlijden van de schenker. Over al die goederen berekent men, na aftrek van de schulden, het gedeelte waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen.
  (In afwijking van het vorige lid wordt de waarde ten tijde van de schenking in aanmerking genomen wanneer het goederen betreft die werden geschonken met toepassing van artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.) <W 1998-12-22/36, art.79 , 004 Inwerkingtreding : 25-01-1999>


Art. 923. Schenkingen onder de levenden worden nooit ingekort dan nadat de waarde van alle goederen die in de beschikkingen bij testament begrepen zijn, is uitgeput; en wanneer deze inkorting plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen met de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere.

  Art. 924. Indien de in te korten schenking onder de levenden aan een erfgerechtigde gedaan is, kan deze uit de geschonken goederen de waarde behouden van het aandeel dat hem als erfgenaam in de niet beschikbare goederen toekomt, indien zij van dezelfde aard zijn.

  Art. 925. Wanneer de waarde van de schenkingen onder de levenden het beschikbaar gedeelte overschrijdt of daarmee gelijk is, vervallen alle beschikkingen bij testament.

  Art. 926. Overschrijden de beschikkingen bij testament hetzij het beschikbaar gedeelte, hetzij het deel van dit gedeelte, dat overblijft na aftrek van de waarde van de schenkingen onder de levenden, dan geschiedt de inkorting naar evenredigheid, zonder dat onderscheid wordt gemaakt tussen de algemene legaten en de bijzondere legaten.

  Art. 927. Wanneer echter de erflater uitdrukkelijk verklaard heeft dat een bepaald legaat moet worden voldaan bij voorkeur boven de andere, wordt deze voorkeur in acht genomen; en het bedoelde legaat wordt slechts ingekort voor zover de waarde van de andere legaten ontoereikend is om het wettelijk voorbehouden erfdeel op te leveren.

  Art. 928. De begiftigde moet de vruchten van hetgeen het beschikbaar gedeelte overschrijdt, teruggeven, te rekenen van de dag van het overlijden van de schenker, indien de vordering tot inkorting binnen het jaar is ingesteld; anders, te rekenen van de dag van de vordering.

  Art. 929. De onroerende goederen die ten gevolge van de inkorting moeten terugkeren, worden daardoor vrij van de schulden of hypotheken waarmee zij door de begiftigde zijn bezwaard.

  Art. 930. De erfgenamen kunnen tegen derden, houders van onroerende goederen die van de schenkingen deel uitmaakten en door de begiftigden zijn vervreemd, de inkorting of teruggave vorderen op dezelfde wijze en in dezelfde volgorde als tegen de begiftigden zelf, en na uitwinning van de goederen van deze laatsten. Deze vordering moet geschieden volgens de orde van de dagtekeningen der vervreemdingen, te beginnen met de laatste.