Wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen

Art. 1
    Wanneer, voor het geheel of voor een deel, een nalatenschap onroerende goederen bevat, waarvan het kadastraal inkomen in 't geheel [1.565 EUR] niet overtreft, wordt van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek afgeweken, zoals in de navolgende artikelen is aangeduid.
   Het inkomen van de onroerende goederen die nog niet gekadastreerd of niet als afzonderlijk perceel gekadastreerd zijn, wordt, zo daartoe redenen zijn, vastgesteld zoals ter zake van grondbelasting.
   De berekening geschiedt op het kadastraal inkomen van de dag van het openvallen der nalatenschap.

Art. 2    [...]

Art. 3
   Zo er, onder de erfgenamen in rechtstreekse linie van de eerststervende echtgenoot, een of verscheidene minderjarigen zijn, kan [de onverdeeldheid van de goederen die de langstlevende echtgenoot in vruchtgebruik heeft overeenkomstig artikel 745bis of 915bis van het Burgerlijk Wetboek], hetzij op verzoek van een der belanghebbenden, hetzij ambtshalve, [...], gehandhaafd worden door de vrederechter voor een termijn of voor achtereenvolgende termijnen, die niet verder zullen gaan dan de meerderjarigheid van de jongste minderjarige.
   Deze bepaling houdt op van kracht te zijn, hetzij wanneer het vruchtgebruik eindigt, hetzij wanneer, bij toepassing van artikel 4 dezer wet, de goederen overgenomen worden.
   De beslissing, waarbij de vrederechter de onverdeeldheid behoudt, wordt overgeschreven op het register dat moet gehouden worden naar luid van het eerste artikel der wet van 16 december 1851. Vóór de overschrijving, is zij niet geldend ten aanzien van derden die zich te goeder trouw verbonden.

Art. 4 : het recht tot overneming, naar schatting

 Art. 5
    Behoudens om een ernstige reden, door de vrederechter vooraf als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een tijdvak van vijf jaren met ingang van de datum waarop de akte van overneming is verleden, de overgenomen onroerende goederen niet vervreemden.
   De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de vrederechter van het kanton waar het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.
   De griffier roept, ten minste vijftien dagen te voren, bij aangetekende brief alle partijen op, die bij de overneming betrokken waren. De vrederechter verleent of weigert zijn toestemming na partijen te hebben gehoord.
   Indien de overnemer de goederen zonder machtiging geheel of gedeeltelijk vervreemdt, is hij gehouden aan ieder van de gewezen medeëigenaars of aan hun rechtverkrijgenden een vaste vergoeding te betalen, ten bedrage van 20 t.h. van hetgeen zij hebben ontvangen als prijs voor de overneming.
   Hetzelfde geldt in geval van gezamenlijke overneming, wanneer een van de overnemers zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande machtiging aan iemand anders dan een medeovernemer afstaat.

Art. 6
   De overnemer of ten minste een van hen, wanneer er verscheidene zijn, is gehouden de overgenomen onroerende goederen binnen drie maanden en gedurende vijf jaren na de datum waarop de akte van overneming is verleden, persoonlijk te betrekken en te exploiteren, zoniet moet hij aan ieder van de gewezen medeëigenaars of aan hun rechtverkrijgenden een vaste vergoeding betalen ten bedrage van 20 t.h. van hetgeen zij in totaal hebben ontvangen als prijs voor de overneming.
   De overnemer kan, om een ernstige reden, van de verplichting om de goederen persoonlijk te betrekken en te exploiteren worden ontslagen, hetzij op het ogenblik van de overneming, door de rechtbank die beslist, hetzij later, door de vrederechter van het kanton waar het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.
   In het laatste geval moet dezelfde procedure worden gevolgd als die welke in artikel 5 is bepaald.

Art. 7
   De vergoedingen bepaald in de artikelen 5 en 6 worden niet gecumuleerd; de betaling van één ervan stelt de overnemer vrij van alle andere verplichtingen.

Art. 8
   De overnemer kan zich van de in de vorenstaande artikelen 5 en 6 gestelde verbodsbepalingen en verplichtingen bevrijden en de vaste straf van 20 t.h. niet oplopen, indien hij de overgenomen uit hun aard onroerende goederen gezamenlijk bij openbare toewijzing verkoopt, maar in dit geval komt, wanneer de opbrengst van die verkoop groter is dan de waarde die aan hun overneming ten grondslag lag, het verschil als vergoeding toe aan alle gewezen medeëigenaars in verhouding tot hun aandeel bij de overneming.

Art. 9
   De vordering tot betaling van de in de artikelen 3, 4 en 5 bepaalde vergoedingen, behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank die nopens de overneming heeft beslist; zij moet op straffe van verval worden ingediend binnen een jaar na de verkoop, de ontruiming van de woning of de staking van het bedrijf dat er aanleiding toe geeft.

Art. 10
    De beslissingen, gewezen in de verschillende hierboven bedoelde gevallen, zijn niet vatbaar voor hoger beroep indien het kadastraal inkomen van al de onroerende goederen, de dag van terugneming, [520 EUR] niet te boven gaat.
   Binnen dezelfde perken zijn die zaken niet vatbaar voor verzet.

Wetsgeschiedenis