Wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen

Wetsgeschiedenis

(B.S., 21-22 mei 1900)
K.B. 20 juli 2000 bekrachtigd bij art. 2, 9° W. 20 juni 2002 (B.S., 20 juli 2002 (tweede uitg.)).

Art. 1
    [Wanneer, voor het geheel of voor een deel, een nalatenschap onroerende goederen bevat, waarvan het kadastraal inkomen in 't geheel [1.565 EUR] niet overtreft, wordt van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek afgeweken, zoals in de navolgende artikelen is aangeduid.
   Het inkomen van de onroerende goederen die nog niet gekadastreerd of niet als afzonderlijk perceel gekadastreerd zijn, wordt, zo daartoe redenen zijn, vastgesteld zoals ter zake van grondbelasting.
   De berekening geschiedt op het kadastraal inkomen van de dag van het openvallen der nalatenschap.]

Wetshistoriek
   Vervangen bij enig art. W. 23 april 1935 (B.S., 25 april 1935) en gewijzigd bij art. 9 K.B. 20 juli 2000 (B.S., 30 augustus 2000 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 17).
Voorgeschiedenis
   Gewijzigd bij art. 1 W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962), bij art. 1 K.B. 21 augustus 1962 (B.S., 28 augustus 1962) en bij art. 49, § 1, 1° W. 19 juli 1979 (B.S., 22 augustus 1979).


Art. 2
    [...]
Wetshistoriek
   Opgeheven bij art. 34, 1 W. 14 mei 1981 (B.S., 27 mei 1981).

Art. 3
   Zo er, onder de erfgenamen in rechtstreekse linie van de eerststervende echtgenoot, een of verscheidene minderjarigen zijn, kan [de onverdeeldheid van de goederen die de langstlevende echtgenoot in vruchtgebruik heeft overeenkomstig artikel 745bis of 915bis van het Burgerlijk Wetboek], hetzij op verzoek van een der belanghebbenden, hetzij ambtshalve, [...], gehandhaafd worden door de vrederechter voor een termijn of voor achtereenvolgende termijnen, die niet verder zullen gaan dan de meerderjarigheid van de jongste minderjarige.
   Deze bepaling houdt op van kracht te zijn, hetzij wanneer het vruchtgebruik eindigt, hetzij wanneer, bij toepassing van artikel 4 dezer wet, de goederen overgenomen worden.
   De beslissing, waarbij de vrederechter de onverdeeldheid behoudt, wordt overgeschreven op het register dat moet gehouden worden naar luid van het eerste artikel der wet van 16 december 1851. Vóór de overschrijving, is zij niet geldend ten aanzien van derden die zich te goeder trouw verbonden.


Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 34, 2 W. 14 mei 1981 (B.S., 27 mei 1981) en bij art. 78 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).

Art. 4
    [ [Onverminderd de rechten die artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek toekent aan de langstlevende echtgenoot, heeft ieder van de erfgenamen in de rechte lijn en, in voorkomend geval, de noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden langstlevende echtgenoot het recht] tot overneming, naar schatting, hetzij van de woning, bij het overlijden, door de de cujus, zijn echtgenoot of een van zijn afstammelingen betrokken, benevens de stoffering, hetzij van het huis, de meubelen, alsmede van de gronden die de bewoner van het huis persoonlijk en voor eigen rekening in gebruik had, het landbouwmaterieel en de dieren tot de bebouwing dienende of de goederen, de grondstoffen, de beroepsvoorwerpen en andere hulpmiddelen die aan het handels-, ambachts-, of nijverheidsbedrijf zijn verbonden.]
   De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen of van hen, die onder curatele staan, mogen, [met machtiging van de vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen], de overneming bewerkstelligen.
    [Willen verschillende belanghebbenden het recht tot overneming uitoefenen, dan wordt de voorkeur bij voorrang en in de volgende orde gegeven aan:
    a) de overlevende echtgenoot;
    b) degene die de de cujus heeft aangewezen;
    c) degene die tot aan het overlijden, zelfs zonder het huis met de de cujus of zijn echtgenoot te bewonen, op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf meewerkte;
    d) degene die tot aan het overlijden met de de cujus of zijn echtgenoot het huis bewoonde en hem hulp en bijstand verschafte;
    e) degene die op het ogenblik van het overlijden het huis bewoont;
    f) degene die door de meerderheid van de belangen is aangewezen en, bij gebreke van deze meerderheid, hij die door uitloting is aangewezen.

   Eisen verscheidene erfgenamen de begunstiging met een van de leden b, c, d of e op, dan kunnen zij de overneming gezamenlijk verrichten.]
   Is dit door een belanghebbende of door een schuldeiser gevraagd, dan wordt er tot de schatting overgegaan door het toedoen van de vrederechter, die daartoe een of verscheidene schatters mag benoemen. Door de vrederechter wordt uitspraak gedaan op de minute van het verzoekschrift; zijn bevelschrift is uitvoerbaar op de minute. Bij aangetekende brieven geeft de griffier aan de belanghebbenden kennis van de dag en het uur waarop de eed zal worden afgelegd door de schatter; deze bepaalt onverwijld dag en uur voor zijn verrichtingen. De belanghebbenden, die bij de beëdiging niet zijn opgekomen, worden door de griffier bij aangetekende brieven verwittigd. Elke eis tot wraking van den schatter moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk bij de beëdiging worden ingediend; onmiddellijk doet de vrederechter uitspraak over deze vraag [...].
    [Wanneer de burgerlijke rechtbank een voor haar aanhangige vordering tot veiling van onverdeelde goederen verwerpt, kan zij dadelijk de deskundigen benoemen, belast met de raming, en deze vaststellen. Zij wijst een van haar leden aan om over de geschillen waartoe de terugnemingen aanleiding mochten geven, uitspraak te doen zoals hierna is bepaald.
   Rijzen er betwistingen omtrent de wijze waarop de terugneming moet geschieden, weigert een van de belanghebbenden daarin toe te stemmen of is hij niet tegenwoordig, dan worden de belanghebbenden of hun wettelijke vertegenwoordigers ten minste vijftien dagen tevoren bij aangetekende brief opgeroepen door de vrederechter of, in het geval van het vorige lid, door de daartoe aangewezen rechter. Op de bepaalde dag vergaderen de belanghebbenden onder voorzitterschap van de magistraat die hen heeft opgeroepen. Zelfs bij afwezigheid van een of meer belanghebbenden kan tot de werkzaamheden worden overgegaan. In voorkomend geval benoemt de rechter, die de vergadering voorzit, een notaris om de afwezigen te vervangen, hun aandelen te ontvangen en er ontvangstbewijs van te geven; het ereloon van de notaris moet betaald worden door de partijen die hij vertegenwoordigt. De rechter beslecht de geschilpunten en verwijst partijen voor het verlijden van de akte naar de door hen aangewezen notaris of, indien zij het over deze keus niet eens kunnen worden, naar een ambtshalve benoemde notaris.]


Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 2, 3 en 4a W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962), bij art. 3 (art. 29, § 1) W. 10 oktober 1967 (B.S., 31 oktober 1967), bij art. 34, 3 W. 14 mei 1981 (B.S., 27 mei 1981) en bij art. 79 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).





Art. 5
    [Behoudens om een ernstige reden, door de vrederechter vooraf als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een tijdvak van vijf jaren met ingang van de datum waarop de akte van overneming is verleden, de overgenomen onroerende goederen niet vervreemden.
   De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de vrederechter van het kanton waar het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.
   De griffier roept, ten minste vijftien dagen te voren, bij aangetekende brief alle partijen op, die bij de overneming betrokken waren. De vrederechter verleent of weigert zijn toestemming na partijen te hebben gehoord.
   Indien de overnemer de goederen zonder machtiging geheel of gedeeltelijk vervreemdt, is hij gehouden aan ieder van de gewezen medeëigenaars of aan hun rechtverkrijgenden een vaste vergoeding te betalen, ten bedrage van 20 t.h. van hetgeen zij hebben ontvangen als prijs voor de overneming.
   Hetzelfde geldt in geval van gezamenlijke overneming, wanneer een van de overnemers zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande machtiging aan iemand anders dan een medeovernemer afstaat.]


Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 5 W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962).

[Art. 6
   De overnemer of ten minste een van hen, wanneer er verscheidene zijn, is gehouden de overgenomen onroerende goederen binnen drie maanden en gedurende vijf jaren na de datum waarop de akte van overneming is verleden, persoonlijk te betrekken en te exploiteren, zoniet moet hij aan ieder van de gewezen medeëigenaars of aan hun rechtverkrijgenden een vaste vergoeding betalen ten bedrage van 20 t.h. van hetgeen zij in totaal hebben ontvangen als prijs voor de overneming.
   De overnemer kan, om een ernstige reden, van de verplichting om de goederen persoonlijk te betrekken en te exploiteren worden ontslagen, hetzij op het ogenblik van de overneming, door de rechtbank die beslist, hetzij later, door de vrederechter van het kanton waar het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.
   In het laatste geval moet dezelfde procedure worden gevolgd als die welke in artikel 5 is bepaald.]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 6 W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962).

[Art. 7
   De vergoedingen bepaald in de artikelen 5 en 6 worden niet gecumuleerd; de betaling van één ervan stelt de overnemer vrij van alle andere verplichtingen.]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 7 W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962).

[Art. 8
   De overnemer kan zich van de in de vorenstaande artikelen 5 en 6 gestelde verbodsbepalingen en verplichtingen bevrijden en de vaste straf van 20 t.h. niet oplopen, indien hij de overgenomen uit hun aard onroerende goederen gezamenlijk bij openbare toewijzing verkoopt, maar in dit geval komt, wanneer de opbrengst van die verkoop groter is dan de waarde die aan hun overneming ten grondslag lag, het verschil als vergoeding toe aan alle gewezen medeëigenaars in verhouding tot hun aandeel bij de overneming.]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 8 W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962).

[Art. 9
   De vordering tot betaling van de in de artikelen 3, 4 en 5 bepaalde vergoedingen, behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank die nopens de overneming heeft beslist; zij moet op straffe van verval worden ingediend binnen een jaar na de verkoop, de ontruiming van de woning of de staking van het bedrijf dat er aanleiding toe geeft.]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 9 W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962).

Geselecteerde rechtspraak


   In artikel 9 dient de verwijzing naar de artikelen 3, 4 en 5 gelezen te worden als een verwijzing naar de artikelen 5, 6 en 8 (Rb. Antwerpen, 19 juni 1990, R.W., 1990-91, 824, noot M. Van Hoecke).


[Art. 10
    [De beslissingen, gewezen in de verschillende hierboven bedoelde gevallen, zijn niet vatbaar voor hoger beroep indien het kadastraal inkomen van al de onroerende goederen, de dag van terugneming, [520 EUR] niet te boven gaat.
   Binnen dezelfde perken zijn die zaken niet vatbaar voor verzet.]]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 10 W. 20 december 1961 (B.S., 9 januari 1962), vervangen bij art. 3 (art. 29, § 2) W. 10 oktober 1967 (B.S., 31 oktober 1967) en gewijzigd bij art. 9 K.B. 20 juli 2000 (B.S., 30 augustus 2000 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 17).
Voorgeschiedenis
   Gewijzigd bij art. 2 K.B. 21 augustus 1962 (B.S., 28 augustus 1962) en bij art. 49, § 1, 2° W. 19 juli 1979 (B.S., 22 augustus 1979).

Verwijzingen
   Zie rechtspraak onder art. 4, lid 6: in het bijzonder het Cassatie-arrest van 24 juni 1981.