law - inheritance - tax

Wet van 28 juni 1956, inzake de heffing van de rechten van successie, van schenking en van overgang


Artikel 5 gelden 16 februari 2009:

1. Het recht van successie wordt geheven van hetgeen ieder verkrijgt, eventueel na aftrek van zijn aandeel in de volgens deze wet voor aftrek in aanmerking komende schulden, legaten en lasten.

2. Het recht van overgang wordt geheven van de waarde van:

1°. de binnenlandse bezittingen na aftrek van binnenlandse schulden;

2°. andere dan de onder 1° bedoelde bezittingen, dan wel laatstbedoelde bezittingen zonder aftrek van sommige van de onder 1° bedoelde schulden, indien en voor zover Wij bij algemene maatregel van bestuur vaststellen dat in de Staat, waarin de erflater of schenker ten tijde van het overlijden of van de schenking woonplaats had, hetzij zodanige andere bezittingen, nagelaten of geschonken door niet in die Staat wonenden, middellijk of onmiddellijk onderworpen zijn aan een belasting, die gelijksoortig is aan het recht van overgang, dan wel voor de regeling van die gelijksoortige belasting dergelijke schulden niet mogen worden afgetrokken. Wij behouden Ons voor nadere regelen te geven aangaande de heffing van de ten gevolge van deze bepaling verschuldigde belasting.

3. Binnenlandse bezittingen zijn:

a. bezittingen die behoren tot een Nederlandse onderneming, zijnde een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een in Nederland aanwezige vaste inrichting of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland;

b. niet tot een Nederlandse onderneming behorende:

1°. in Nederland gelegen onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, alsmede economische eigendom als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer van in Nederland gelegen onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen;

2°. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voorzover zij niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking.

4. Binnenlandse schulden zijn:

a. tot een Nederlandse onderneming behorende schulden;

b. schulden, verzekerd door hypotheek op een in Nederland gelegen onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen, voorzover deze schulden zijn aangegaan ter financiering van de verwerving, de verbetering of het onderhoud van deze onroerende zaak.

5. Met onroerende zaken als bedoeld in het derde lid worden gelijkgesteld fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Fictieve onroerende zaken worden voor de toepassing van dit artikel in aanmerking genomen voor de waarde die is bepaald met overeenkomstige toepassing van artikel 10 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Bij de berekening van de in de tweede volzin bedoelde waarde is artikel 5, vierde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op schulden van het in artikel 4, eerste lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer bedoelde lichaam die betrekking hebben op de tot zijn vermogen behorende onroerende zaken die op grond van dit lid in aanmerking worden genomen.

6. Indien de economische eigendom, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, van een in Nederland gelegen onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen berust bij een ander dan de erflater dan wel schenker van die onroerende zaak of dat recht, wordt de waarde bedoeld in het tweede lid van die zaak of dat recht bepaald met inachtneming van die omstandigheid.

7. Het recht van schenking wordt geheven van hetgeen de begiftigde verkrijgt, eventueel na aftrek van aan de schenking verbonden lasten en verplichtingen, waardoor hetzij de schenker, hetzij een derde wordt gebaat