erfgenaam
Wetboek van Successierechten : Hoofdstuk VII : Vrijstellingen en verminderingen
Artikel 56 (versie Vlaamse Gewest):
A. Vermindering voor de erfgenamen in de rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden
B. Vermindering tussen broers en zusters
C. Vermindering tussen alle andere erfgenamen

A: ... indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR
B: ... indien de netto-verkrijging ... niet meer bedraagt dan 75.000 EUR
C: ... indien de som van hun netto-verkrijgingen ... niet meer bedraagt dan 75.000 EUR

Ratio legis: toen Vlaanderen zelf de tarieven inzake successierechten in handen heeft gekregen, zouden deze verlaagd worden. Maar gezien het aantal tariefschalen was verminderd en daarbij de schaal van 20 procent was weggevallen, werden de kleinste successies zwaarder belast dan voorheen. Vandaar deze vermindering sub B en C. Indien men boven de netto-verkrijging(en) hierboven vermeld uitkomt, zijn de verminderingen niet meer van toepassing.

Naast hierboven vermelde verminderingen, bevat artikel 56 in fine anno 2007 ook nog verminderingen die steeds van toepassing zijn (ook op heel grote nalatenschappen) ingeval de overledene minderjarige kinderen nalaat.


Artikel 56 (versie Vlaamse Gewest anno 2007:)

De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 50.000)].

Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aandeel dat de echtgenoot of samenwonende verkrijgt in de gezinswoning, vermeld in artikel 48.

De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 18.750 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 18.750 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).

De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.400 EUR vermenigvuldigd met [1 - (som van de netto-verkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun nettoverkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de verkrijgingen / 12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.

Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54.

Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.

De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de nettoverkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.
-------------------
Art. 56 : gewijzigd bij art. 18, Decreet 20.12.1996,
          bij art. 3, Decreet van 15.04.1997,
          bij art. 2, Decreet van 17.06.1997,
          bij art. 2, Decreet van 15.07.1997,
          bij art. 13, Decreet van 07.07.1998,
          bij art. 3, Decreet van 01.12.2000,
          en bij art. 46, Decreet van 21.12.2001 (in werking op
          01.01.2002)(erratum B.S.14.02.2002); en bij
          art. 2, D 19.04.2002 (B.S. 04.06.2002), met ingang van
          01.01.2002; en bij art. 61, Decreet 20.12.2002
          (B.S. 31.12.2002), met ingang van 01.01.2003;
          2e lid ingevoegd bij art. 4, D 07.07.2006
          (B.S., 20.09.2006), met ingang van 01.01.2007.