legalisatie
Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten (Apostilleverdrag), gedaan te Den Haag op 5 oktober 1961.

Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing op openbare akten die zijn opgemaakt op het grondgebied van een
Verdragsluitende Staat en moeten worden overgelegd op het grondgebied van een andere
Verdragsluitende Staat.
In dit Verdrag wordt onder openbare akten verstaan:
a) stukken, afgegeven door een autoriteit of functionaris behorende tot enig rechterlijk orgaan van
de Staat, hieronder begrepen stukken, afgegeven door het openbaar ministerie, een griffier of een
gerechtsdeurwaarder;
b) administratieve stukken;
c) notariële akten;
d) op onderhandse stukken geplaatste officiële verklaringen zoals verklaringen omtrent
registratie, het bestaan van een stuk op een bepaalde datum en de echtheid van een handtekening.
Nochtans is dit Verdrag niet van toepassing;
a) op stukken opgemaakt door diplomatieke of consulaire ambtenaren;
b) op administratieve stukken die rechtstreeks betrekking hebben op handelstransacties of
douaneformaliteiten.

Artikel 2
Iedere Verdragsluitende Staat stelt de stukken waarop dit Verdrag van toepassing is en die op zijn
grondgebiedmoeten worden overgelegd, vrij van legalisatie. In dit Verdrag wordt onder
legalisatie uitsluitend verstaan de formaliteit waarbij de diplomatieke of consulaire ambtenaren
van het land op welke grondgebied de akte moet worden overgelegd, een bevestigende verklaring
afgeven omtrent de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van
het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op
het stuk.

Artikel 3
Ter bevestiging van de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het stuk, mag geen andere formaliteit worden verlangd dan toevoeging van de in artikel 4 beschreven apostille, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Staat waaruit het stuk afkomstig is.
De formaliteit genoemd in het vorige lid kan echter niet worden verlangd, indien hetzij de wetten, reglementen of gewoonten, geldende in de Staat waar de akte wordt overgelegd, hetzij een overeenkomst tussen twee of meer Verdragsluitende Staten deze formaliteit ter zijde stellen of vereenvoudigen, dan wel het stuk van legalisatie vrijstellen.

Artikel 4
De apostille, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt op het stuk zelf of op een verlengstuk gesteld;
zij moet overeenstemmen met het model dat als bijlage aan dit Verdrag is toegevoegd.
Zij kan echter worden gesteld in de officiële taal van de autoriteit die haar afgeeft. De in het
model voorgeschreven tekst kan ook in een tweede taal worden gesteld. Het opschrift “apostille
(Convention de La Haye du 5 octobre 1961)” moet in de Franse taal zijn gesteld.

Artikel 5
De apostille wordt afgegeven op verzoek van de ondertekenaar of de houder van het stuk.
Behoorlijk ingevuld bevestigt zij de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de
ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel
of het stempel op het stuk.
De handtekening, het zegel of het stempel op de apostille behoeven niet voor echt te worden
verklaard.

Artikel 7
Elke, overeenkomstig artikel 6 aangewezen autoriteit, houdt een register of een kaartsysteem aan,
waarin van de afgegeven apostilles aantekening wordt gehouden onder vermelding van:
a) het volgnummer en de datum van de apostille;
b) de naam van de ondertekenaar van de openbare akte en de hoedanigheid waarin hij heeft
gehandeld of, indien de akte niet is ondertekend, de naam van de autoriteit die het stuk heeft
gezegeld of gestempeld. Op verzoek van iedere belanghebbende dient de autoriteit die de
apostille heeft afgegeven, na te gaan of de gegevens in de apostille overeenstemmen met die van
het register of het kaartsysteem.

Artikel 8
Wanneer er tussen twee of meer Verdragsluitende Staten verdragen, overeenkomsten of
regelingen bestaan, die bepalingen bevatten, welke het voor echt verklaren van de handtekening,
het zegel of het stempel aan zekere formaliteiten onderwerpen, stelt het onderhavige Verdrag
deze bepalingen slechts ter zijde, indien die formaliteiten stringenter zijn dan die bedoeld in de
artikelen 3 en 4.