Verdrag van Den Haag van 12 april 1930

Verdrag nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit

Getekend te 's-Gravenhage en goedgekeurd bij W. 20 januari 1939 (B.S., 13 augustus 1939).

 

2747.com / law / internationaal recht

contact

Publiekrecht Burgerlijk recht

 

Hoofdstuk I. Algemene beginselen

Art. 1 Het behoort tot de bevoegdheid van iedere Staat in zijn wetgeving te bepalen, wie zijn onderdanen zijn. Deze wetgeving moet door de andere Staten worden erkend, voor zover zij in overeenstemming is met de internationale verdragen, de internationale gewoonte en de algemeen erkende rechtsbeginselen ter zake van nationaliteit.

Art. 2 Iedere vraag of een persoon de nationaliteit van een Staat bezit, moet worden beantwoord overeenkomstig de wetgeving van deze Staat.

Art. 3 Onder voorbehoud van de bepalingen van dit Verdrag zal een persoon, die twee of meer nationaliteiten bezit, door ieder van de Staten, waarvan hij de nationaliteit heeft, als zijn onderdaan kunnen worden beschouwd.

Art. 4 Een Staat kan zijn diplomatieke bescherming niet uitoefenen ten gunste van één van zijn onderdanen tegenover een Staat, waarvan deze persoon eveneens de nationaliteit bezit.

Art. 5 In een derde Staat zal een persoon die twee of meer nationaliteiten bezit, moeten worden behandeld alsof hij er slechts één had. Onverminderd de rechtsregelen, die in de derde Staat ter zake van het personeel statuut worden toegepast, en onder voorbehoud van de geldende verdragen, zal deze Staat op zijn grondgebied van de nationaliteiten, die een zodanige persoon bezit, uitsluitend erkennen hetzij de nationaliteit van het land, waarin de persoon zijn gewone en voornaamste verblijfplaats heeft, hetzij de nationaliteit van het land, waaraan deze persoon in de gegeven omstandigheden feitelijk het nauwst verbonden schijnt te zijn.

Art. 6 Onder voorbehoud van het recht van een Staat ruimere bevoegdheden te geven tot het verwerpen van nationaliteit, zal iedere persoon, die twee nationaliteiten bezit, welke hij verworven heeft zonder dat hij zijnerzijds hiertoe de wil te kennen heeft gegeven, één van deze beide nationaliteiten kunnen verwerpen met machtiging van de Staat, wiens nationaliteit hij voornemens is te verwerpen.

Deze machtiging zal niet geweigerd worden aan de persoon, die zijn gewoon en hoofdverblijf heeft in het buitenland, mits voldaan zal zijn aan de voorwaarden vereist bij de wet van de Staat, wiens nationaliteit hij wenst te verwerpen.

Hoofdstuk II. Verlof tot uittreden uit het staatsverband

Art. 7 Het verlof tot uittreden uit het Staatsverband, voor zover dit in een wetgeving wordt voorzien, brengt alleen dan verlies van nationaliteit van de Staat die het verlof heeft gegeven, mede, indien de houder van het verlof reeds een tweede nationaliteit bezit, of, indien dit niet het geval is, van het ogenblik af waarop hij een nieuwe nationaliteit verkrijgt.

Het verlof tot uittreden uit het Staatsverband vervalt, indien de houder niet een nieuwe nationaliteit verkrijgt binnen de termijn, welke vastgesteld is door de Staat, die het verlof heeft verleend. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van een persoon, die op het ogenblik waarop hij het verlof tot uittreden uit het Staatsverband ontvangt, reeds een andere nationaliteit bezit dan die van de Staat, die hem het verlof geeft.

De Staat, waarvan de nationaliteit wordt verkregen door een persoon, aan wie een verlof tot uittreden uit het Staatsverband is gegeven, zal het verkrijgen van deze nieuwe nationaliteit mededelen aan de Staat, die hem verlof heeft verleend.

Hoofdstuk III. De nationaliteit van de gehuwde vrouw

Art. 8 Indien de nationale wet van de vrouw haar hare nationaliteit doet verliezen ingevolge huwelijk met een vreemdeling, zal dit gevolg afhankelijk worden gesteld van het verkrijgen door haar van de nationaliteit van haar echtgenoot.

Art. 9 Indien de nationale wet van de vrouw haar hare nationaliteit doet verliezen ingevolge verandering van nationaliteit van haar echtgenoot tijdens het huwelijk zal dit gevolg afhankelijk worden gesteld van het verkrijgen door haar van de nieuwe nationaliteit van haar echtgenoot.

Art. 10 De naturalisatie van de echtgenoot tijdens het huwelijk zal alleen met de toestemming van de echtgenote verandering van nationaliteit van deze laatste medebrengen.

Art. 11 De vrouw, die volgens de wet van haar land haar nationaliteit heeft verloren ingevolge haar huwelijk, verkrijgt na ontbinding van het huwelijk deze nationaliteit alleen terug indien zij hiertoe het verzoek doet, en in overeenstemming met de wet van dit land. Ingeval zij haar nationaliteit terug verkrijgt, verliest zij de nationaliteit, die zij ingevolge haar huwelijk had verkregen.

Hoofdstuk IV. De nationaliteit der kinderen

Art. 12 De wettelijke bepalingen nopens het toekennen van de nationaliteit van een Staat ingevolge geboorte op het grondgebied van die Staat zijn niet van rechtswege van toepassing op kinderen, wier ouders diplomatieke immuniteiten genieten in het land van geboorte.

De wet van iedere Staat moet toestaan, dat ingeval kinderen van beroepsconsuls of van ambtenaren van vreemde Staten, die door hun Regeringen belast zijn met officiële zendingen, twee nationaliteiten bezitten ingevolge hun geboorte, zij door verwerping of op andere wijze ontslagen kunnen worden van de nationaliteit van het land van geboorte, echter op voorwaarde, dat zij de nationaliteit van hun ouders behouden.

Art. 13 De naturalisatie van ouders doet diegenen van hun kinderen, die volgens de wet van de Staat, welke de naturalisatie verleent, minderjarig zijn, de nationaliteit van die Staat verwerven. De wet van die Staat kan de voorwaarden bepalen, waarvan in zodanig geval het verwerven van de nationaliteit afhankelijk is. In de gevallen, waarin de wet van een Staat de gevolgen van de naturalisatie der ouders niet uitstrekt over hun minderjarige kinderen, behouden deze hun nationaliteit.

Art. 14 Een kind, welks beide ouders onbekend zijn, bezit de nationaliteit van het land van geboorte. Indien de afstamming van het kind wordt vastgesteld, zal zijn nationaliteit worden bepaald volgens de regelen die van toepassing zijn in de gevallen waarin de afstamming bekend is.

Een vondeling wordt, todat het bewijs van het tegendeel is geleverd, verondersteld te zijn geboren op het grondgebied van den Staat waar hij is gevonden.

Art. 15 Indien de nationaliteit van een Staat niet van rechtswege wordt verkregen ten gevolge van de geboorte op het grondgebied van die Staat, kan een kind, dat aldaar geboren is uit ouders zonder nationaliteit of wier nationaliteit onbekend is, de nationaliteit van die Staat verwerven. De wet van deze Staat zal de voorwaarden bepalen, waarvan in zodanig geval het verkrijgen van zijn nationaliteit afhankelijk is.

Art. 16 Indien de wet van een Staat erkent, dat een natuurlijk kind, dat de nationaliteit van die Staat bezit, deze kan verliezen ten gevolge van een wijziging in zijn burgerlijke staat (wettiging, erkenning), zal dit verlies desniettemin afhankelijk zijn van het verkrijgen van de nationaliteit van een andere Staat overeenkomstig de wet van deze laatste Staat betreffende de gevolgen van de wijziging in de burgerlijke staat ten aanzien van de nationaliteit.

Hoofdstuk V. Adoptie

Art. 17 Indien de wet van een Staat verlies van nationaliteit ten gevolge van adoptie erkent, zal dit verlies afhankelijk zijn van het verkrijgen door de geadopteerde van de nationaliteit van de persoon door wie hij wordt geadopteerd, overeenkomstig de wet van de Staat, waarvan deze laatste onderdaan is, betreffende de gevolgen van de adoptie ten aanzien van de nationaliteit.

Hoofdstuk VI. Algemene en slotbepalingen

Art. 18 De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen, in haar onderlinge betrekkingen, met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, de beginselen en regelen, die in bovenstaande artikelen zijn nedergelegd, toe te passen.

Het nederleggen van bovenbedoelde beginselen en regelen in het Verdrag beslist in geenen deele over de vraag of deze beginselen en regelen nu reeds al dan niet deel uitmaken van het internationale recht.

Bovendien is het wel verstaan, dat ten aanzien van ieder punt, dat niet valt onder de bovenstaande bepalingen, de beginselen en regelen van het internationale recht van kracht blijven.

Art. 19 Niets in dit Verdrag zal inbreuk maken op de bepalingen der verdragen, overeenkomsten of regelingen, die van kracht zijn tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen nopens de nationaliteit of hiermede verbandhoudende vragen.

Art. 20 Bij het ondertekenen of bekrachtigen van dit Verdrag of bij het toetreden hiertoe zal iedere Hoge Verdragsluitende Partij door middel van nadrukkelijke voorbehouden één of meer bepalingen van de artikelen 1 tot 17 en 21 kunnen uitsluiten.

De aldus uitgesloten bepalingen zullen niet aan de Verdragsluitende Partij, die zodanig voorbehoud heeft gemaakt, kunnen worden tegengeworpen, en ook niet door deze Partij tegen een andere Verdragsluitende Partij kunnen worden ingeroepen.

Art. 21 Indien tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen enig geschil rijst nopens de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en indien dit geschil niet op bevredigende wijze is opgelost kunnen worden langs diplomatieke weg, zal het worden geregeld overeenkomstig de bepalingen, die tussen de partijen van kracht zijn met betrekking tot de beslechting van internationale geschillen.

Ingeval zodanige bepalingen niet zouden bestaan tussen de bij het geschil betrokken partijen, zullen zij het geschil onderwerpen aan een scheidsrechterlijke of rechterlijke procedure overeenkomstig de grondwettelijke voorschriften van ieder der partijen. Bij gebreke aan overeenstemming ten aanzien van de keuze van een onderworpen aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, indien zij alle partij zijn bij het Protocol van 16 december 1920 nopens dit Hof, en indien zij niet alle partij bij dit Protocol zijn, aan een scheidsgerecht, dat samengesteld zal worden overeenkomstig het Haagse Verdrag van 18 oktober 1907 voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen.

Art. 22 Dit Verdrag zal kunnen worden ondertekend tot op 31 december 1930, namens ieder Lid van de Volkenbond of iedere Staat niet-Lid, die uitgenodigd is tot de Eerste Codificatie-Conferentie of waaraan de Volkenbondsraad te dien einde een exemplaar van dit Verdrag zal hebben toegezonden.

Art. 23 Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingen zullen worden nedergelegd op het Secretariaat van de Volkenbond.

De Secretaris-Generaal zal van iedere nederlegging van een bekrachtiging mededeling doen aan de Leden van de Volkenbond en aan de Staten niet-Leden in artikel 22, met vermelding van de datum der nederlegging.

Art. 24 Van 1 januari af zal ieder Lid van de Volkenbond en iedere Staat niet-Lid bedoeld in artikel 22, namens wie het verdrag op die datum nog niet is ondertekend, tot het Verdrag kunnen toetreden.

Deze toetreding zal geschieden door het nederleggen van een akte op het Secretariaat van de Volkenbond. De Secretaris-Generaal zal van iedere toetreding kennis geven aan alle Leden van de Volkenbond en alle Staten niet-Leden bedoeld in artikel 22, met vermelding van de datum, waarop de akte van toetreding is nedergelegd.

Art. 25 Een proces-verbaal zal door de Secretaris- Generaal van de Volkenbond worden opgesteld, zodra bekrachtigingen of toetredingen zullen zijn nedergelegd namens tien Leden van de Volkenbond of Staten niet-Leden.

Een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van dit proces-verbaal zal door de Secretaris-Generaal van de Volkenbond worden gezonden aan ieder Lid van de Volkenbond en aan iedere Staat niet- Lid bedoeld in artikel 22.

Art. 26 Dit Verdrag zal in werking treden op de negentigste dag na de datum van het in artikel 25 bedoelde proces-verbaal ten aanzien van de Leden van de Volkenbond of Staten niet-Leden, namens wie bekrachtigingen of toetredingen op den datum van dit proces-verbaal zullen zijn nedergelegd.

Ten aanzien van ieder van de Leden of Staten niet-Leden, namens wie bekrachtigingen of toetredingen later zullen worden nedergelegd, zal het Verdrag in werking treden op den negentigsten dag na den datum van het nederleggen van zijn bekrachtiging of van zijn toetreding.

Art. 27 Van 1 januari 1936 af zal ieder Lid van de Volkenbond en iedere Staat niet-Lid, ten aanzien van wie dit Verdrag op dat ogenblik van kracht zal zijn, tot de Secretaris-Generaal van de Volkenbond een verzoek kunnen richten tot herziening van enige of van alle bepalingen van dit Verdrag. Indien een zodanig verzoek, nadat het is medegedeeld aan de andere Leden of Staten niet-Leden, ten aanzien van wie het Verdrag op dat ogenblik van kracht is, binnen de tijd van één jaar wordt ondersteund door minstens negen van deze Staten, zal de Raad van de Volkenbond beslissen, na overleg gepleegd te hebben met de Leden en de Staten niet-Leden bedoeld in artikel 22, of er aanleiding bestaat, een bijzondere conferentie te dien einde bijeen te roepen, of om deze herziening op de agenda te plaatsen van een volgende conferentie voor de codificatie van het internationale recht.

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen, dat in geval van herziening van dit Verdrag het nieuwe Verdrag zal kunnen bepalen, dat de inwerkingtreding hiervan zal kunnen medebrengen, dat ten aanzien van alle Partijen bij dit Verdrag alle of enige bepalingen er van vervallen.

Art. 28 Dit Verdrag kan worden opgezegd.

Deze opzegging zal schriftelijk aan de Secretaris- Generaal van de Volkenbond worden medegedeeld, die hiervan kennis zal geven aan alle Leden van de Volkenbond en aan de Staten niet-Leden bedoeld in artikel 22.

Deze opzegging zal alleen gevolg hebben ten aanzien van het Lid of van de Staat niet-Lid, die het Verdrag zal hebben opgezegd, en wel één jaar na de datum, waarop deze opzegging door de Secretaris-Generaal zal zijn ontvangen.

Art. 29

1 Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan op het ogenblik van ondertekening, bekrachtiging of toetreding verklaren, dat zij door de aanvaarding van dit Verdrag geen verplichting op zich neemt ten aanzien van alle of enige van haar koloniën, protectoraten, overzeese gebieden of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst, of ook voor zover betreft bepaalde delen van de bevolkingen van zodanige gebieden; in dat geval zal dit Verdrag niet van toepassing zijn op de gebieden of delen van de bevolkingen, die in een zodanige verklaring zijn genoemd.

2 Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan later ten allen tijde ter kennis van de Secretaris-Generaal van de Volkenbond brengen, dat zij wenst, dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op alle of enige gebieden of delen van de bevolkingen die in de verklaring, bedoeld in het vorige lid, zijn genoemd. In dat geval zal het Verdrag van toepassing zijn op de gebieden of delen van de bevolkingen, die in deze mededeling worden genoemd, zes maanden na de ontvangst van deze mededeling door de Secretaris-Generaal van de Volkenbond.

3 Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan ten allen tijde verklaren, dat zij de toepassing van dit Verdrag op alle of enige van haar koloniën, protectoraten, overzeese gebieden of gebieden die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst, of ook voor zover betreft bepaalde delen van de bevolkingen van zodanige gebieden wenst te beëindigen; in dat geval zal het Verdrag ophouden van toepassing te zijn op de gebieden of delen van de bevolkingen, die in een zodanige verklaring zijn genoemd, één jaar na de ontvangst van deze verklaring door de Secretaris-Generaal van de Volkenbond.

4 Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan overeenkomstig artikel 20 van dit Verdrag voorbehouden maken voor zover betreft alle of enige van haar koloniën, protectoraten of overzeese gebieden of gebieden die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst of voor zover betreft bepaalde delen van de bevolkingen van zodanige gebieden op het ogenblik van ondertekening, bekrachtiging of toetreding, of bij het doen van de mededeling, bedoeld in lid 2 van dit artikel.

5 De Secretaris-Generaal van de Volkenbond zal aan alle Leden van de Volkenbond en aan de Staten niet-Leden, bedoeld in artikel 22, de verklaringen en mededelingen, die krachtens dit artikel ontvangen worden, mededelen.

Art. 30 Dit Verdrag zal worden geregistreerd door de Secretaris-Generaal van de Volkenbond, zodra het in werking zal zijn getreden.

Art. 31 De Franse en Engelse teksten van dit Verdrag zijn beide authentiek.

 

2747.com / law / internationaal recht

contact

Publiekrecht Burgerlijk recht