Belgisch Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Titel  VIII : Huur - Hoofdstuk 2 : Huur van goederen

Afdeling I. - Algemene bepalingen betreffende de huur van onroerende goederen

...
Wettekst anno 2006:

Art. 1717. (De huurder mag onderverhuren en zelfs zijn huur aan anderen overdragen, indien dit recht hem niet is ontzegd.
  (Onverminderd artikel 11bis van de afdeling IIbis van dit hoofdstuk, kan de huurder die het gehuurde goed niet tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, het goed niet geheel of gedeeltelijk onderverhuren opdat het voor de onderhuurder als hoofdverblijfplaats kan dienen.
  Indien de huurder echter een gemeente is, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut onderworpen aan de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, ofwel een vennootschap met een sociaal oogmerk, kan hij het goed aan een of meer natuurlijke personen geheel onderverhuren, op voorwaarde dar deze personen minder gegoed zijn of zich in een behartenswaardige sociale situatie bevinden en dat zij het goed uitsluitend tot hun hoofdverblijfplaats bestemmen, en voor zover de verhuurder ingestemd heeft met de mogelijkheid om het goed te dien einde onder te verhuren.) <W 1997-04-13/43, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997; zie evenwel W 1997-04-13/43, art. 15>
  (De huurder) kan zijn huurovereenkomst evenmin overdragen indien het gehuurde goed moet dienen tot hoofdverblijfplaats voor de overnemer.) <W 20-02-1991, art. 4> <W 1997-04-13/43, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997>
  Het kan hem worden ontzegd voor het geheel of voor een gedeelte.
  Zodanig beding is altijd van strenge toepassing.
  (Leden 4 en 5 opgeheven) <W 04-11-1969, art. 2>