Belgisch Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Titel  VIII : Huur - Hoofdstuk 2 : Huur van goederen

Afdeling I. - Algemene bepalingen betreffende de huur van onroerende goederen

Wettekst anno 2006:

Art. 1759bis. <Ingevoegd bij W 29-12-1983, art. 7> Wanneer een huurovereenkomst met betrekking tot een woning welke de huurder tot hoofdverblijfplaats dient, vervalt of eindigt tengevolge van een opzegging, kan de huurder om een verlenging verzoeken.
  (Deze verlenging wordt, op straffe van nietigheid, uiterlijk een maand voor de vervaldag van de huur aan de verhuurder gevraagd bij ter post aangetekende brief.) <W 01-03-1991>
  De verlenging kan slechts worden toegestaan rekening houdend met de belangen van de twee partijen en op voorwaarde dat de huurder het bewijs levert van buitengewone omstandigheden. Behoudens uitdrukkelijk akkoord van de partijen, bepaalt de rechter de duur van de verlenging zonder dat deze evenwel één jaar mag overschrijden. In dit geval kan de rechter, indien hij dit billijk acht, op verzoek van de verhuurder een verhoging van de huurprijs toestaan.
  (De verlenging kan niet worden gevraagd aan de nieuwe eigenaar in geval van vervreemding van het goed, noch aan de rechtverkrijgenden in geval van overlijden. Wanneer er evenwel geen bepaalde tijd is overeengekomen voor de huur, kan de verlenging aan de nieuwe eigenaar worden gevraagd indien een opzegging meer dan twee jaren na de vervreemding van het goed is gedaan.) <W 01-03-1991>