gehuwd
Titel VII. Afstamming
Hoofdstuk II. Vaststelling van de afstamming van vaderszijde
Afdeling I. Vermoeden van vaderschap

Artikel 318 werd ingrijpend gewijzigd bij wet van 1 juli 2006.

Art. 318 (versie 1987, aangepast in 1994 i.v.m. hervorming echtscheidingsrecht):
 § 1 Het vaderschap van de echtgenoot kan worden betwist indien wordt aangetoond dat hij niet de vader kan zijn van het kind.

§ 2. Dit bewijs kan door alle wettelijke middelen worden geleverd.

§ 3. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van beide echtgenoten of dezen feitelijk herenigd waren ten tijde van de verwekking, wordt de vordering gegrond verklaard:
    1° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na de inleidingszitting bedoeld in artikel 1258 van het Gerechtelijk Wetboek en geen proces-verbaal van verzoening is opgemaakt, of na de beschikking van de voorzitter zitting houdend in kort geding, waarbij de echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, of na de verklaring bedoeld in artikel 1289 van hetzelfde Wetboek, en minder dan 180 dagen na de definitieve afwijzing van de vordering of na de verzoening van de echtgenoten;
    2° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na de datum van de feitelijke scheiding in geval van echtscheiding is uitgesproken krachtens de artikelen 229, 231 of 232;
    3° wanneer het kind geboren is meer dan driehonderd dagen na een beschikking van de vrederechter gegeven krachtens artikel 223 van dit Wetboek, waarbij de echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, en minder dan honderdtachtig dagen na de datum waarop aan deze maatregel een einde is gekomen, of nadat de echtgenoten feitelijk herenigd zijn geweest;
    4° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;
    5° wanneer de echtgenoot de vordering instelt vooraleer de afstamming van moederszijde vaststaat.

   In al deze gevallen kan het bewijs van het vaderschap door alle wettelijke middelen worden geleverd.

§ 4. De vordering is niet ontvankelijk wanneer de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind niet het gevolg kan zijn van die handeling.