Huwelijkscontract

Het huwelijksvermogensrecht van voor 1976  

Hoofdstuk III. - Dotaal stelsel

Art. 1540. Het huwelijksgoed, in dit stelsel evenals in dat van hoofdstuk II, is het goed dat de vrouw aan de man aanbrengt om de lasten van het huwelijk te dragen.

Art. 1541. Alles wat door de vrouw zelf als huwelijksgoed wordt aangebracht of haar bij huwelijkscontract gegeven wordt, is dotaal, tenzij anders bedongen is.

AFDELING I. - AANBRENGST VAN HUWELIJKSGOED.

Art. 1542. Als huwelijksgoed kunnen worden aangebracht alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de vrouw, of alleen al haar tegenwoordige goederen, of een deel van haar tegenwoordige en toekomstige goederen, of zelfs een bepaald goed.
  De aanbrengst van alle goederen van de vrouw als huwelijksgoed, in algemene bewoordingen gedaan, omvat de toekomstige goederen niet.

Art. 1543. _ Aanbrengst of vermeerdering van huwelijksgoed kan niet plaatshebben gedurende het huwelijk.

Art. 1544. Wanneer ouders gezamenlijk huwelijksgoed geven zonder ieders aandeel te bepalen, wordt ieder geacht een gelijk deel te geven.
  Wanneer huwelijksgoed gegeven wordt door de vader alleen, maar van vaders- en moederswege, is de moeder, hoewel bij het contract aanwezig, niet verbonden, en blijft het huwelijksgoed geheel ten laste van de vader.

Art. 1545. Wanneer de langstlevende der ouders huwelijksgoed geeft van vaders- en moederswege, zonder ieders aandeel te bepalen, wordt het huwelijksgoed eerst genomen uit de rechten van de aanstaande echtgenoot op de goederen van de vooroverleden vader of moeder, en, voor het overige, uit de goederen van degene die het huwelijksgoed geeft.

Art. 1546. Wanneer ouders huwelijksgoed geven aan een dochter die eigen goederen bezit, waarvan zij het genot hebben, wordt niettemin het huwelijksgoed genomen uit de goederen van de ouders die het geven, tenzij anders bedongen is.

Art. 1547. Zij die huwelijksgoed verstrekken, zijn gehouden tot vrijwaring van de verstrekte goederen.

Art. 1548. De interest van het huwelijksgoed loopt van rechtswege van de dag van het huwelijk tegen degenen die het beloofd hebben, zelfs indien voor de uitkering een tijd bepaald is, tenzij anders bedongen is.

AFDELING II. - RECHTEN VAN DE MAN BETREFFENDE DE DOTALE GOEDEREN, EN ONVERVREEMDBAARHEID VAN HET DOTALE ERF.

Art. 1549. De man alleen heeft het beheer van de dotale goederen gedurende het huwelijk.
  Hij alleen heeft het recht om de schuldenaars en de houders van die goederen te vervolgen, de vruchten en de interesten ervan te innen en terugbetaling van de kapitalen te ontvangen.
  Nochtans kan bij huwelijkscontract worden overeengekomen dat de vrouw jaarlijks een gedeelte van haar inkomsten tegen haar persoonlijke kwijting zal ontvangen voor haar onderhoud en haar persoonlijke behoeften.

Art. 1550. De man is niet verplicht borg te stellen voor het ontvangen huwelijksgoed, tenzij het huwelijkscontract hem die verplichting heeft opgelegd.

Art. 1551. Indien het huwelijksgoed geheel of ten dele bestaat in roerende goederen die bij het huwelijkscontract zijn geschat, zonder de verklaring dat de schatting geen verkoop uitmaakt, wordt de man eigenaar ervan en is hij slechts de prijs verschuldigd waarop de roerende goederen zijn gewaardeerd.

Art. 1552. De schatting van een onroerend goed, als huwelijksgoed aangebracht, draagt de eigendom daarvan niet over aan de man, tenzij zulks uitdrukkelijk verklaard wordt.

Art. 1553. Een onroerend goed dat met dotaal geld verkregen wordt, is niet dotaal, tenzij de verplichting om te beleggen bij het huwelijkscontract bedongen is.
  Hetzelfde geldt omtrent een onroerend goed dat in betaling gegeven wordt voor in geld bepaald huwelijksgoed.

Art. 1554. Onroerende goederen die als huwelijksgoed zijn aangebracht, mogen gedurende het huwelijk noch door de man, noch door de vrouw, noch door beiden gezamenlijk, vervreemd of met hypotheek bezwaard worden; behoudens de hierna gestelde uitzonderingen.

Art. 1555. De vrouw mag, met toestemming van haar man of, in geval van weigering van haar man, met verlof van de rechter, haar dotale goederen schenken om een stand te verschaffen aan kinderen die zij uit een vroeger huwelijk heeft; maar indien zij slechts gemachtigd is door de rechter, moet zij het genot aan haar man voorbehouden.

Art. 1556. Zij mag ook, met toestemming van haar man, haar dotale goederen schenken om aan hun gemeenschappelijke kinderen een stand te verschaffen.

Art. 1557. Een dotaal onroerend goed mag vervreemd worden, wanneer de vervreemding ervan door het huwelijkscontract is toegelaten.

Art. 1558. Een dotaal onroerend goed mag eveneens, met verlof van de rechter, en bij opbod, na drie aanplakkingen, vervreemd worden :
  Om ontslag van de man of de vrouw uit de gevangenis te bekomen;
  Om aan de familie levensonderhoud te verschaffen in de gevallen bepaald bij de artikelen 203, 205 en 206 in de titel Het huwelijk;
  Om schulden te betalen van de vrouw of van degenen die het huwelijksgoed gegeven hebben, indien die schulden voor het huwelijkscontract een vaste dagtekening hadden verkregen;
  Om grove herstellingen te doen, die voor het behoud van het dotale onroerend goed onmisbaar zijn;
  Ten slotte, wanneer dit onroerend goed zich in onverdeeldheid met derden bevindt, en als onverdeelbaar erkend is.
  In al die gevallen zal het gedeelte van de verkoopprijs dat de erkende behoeften overschrijdt, dotaal blijven, en als zodanig ten voordele van de vrouw belegd worden.

  Art. 1559. Een dotaal onroerend goed mag, doch alleen met toestemming van de vrouw, geruild worden voor een ander onroerend goed dat ten minste voor vier vijfden in waarde gelijk is, mits het nut van de ruil bewezen is, machtiging van de rechter bekomen wordt, en de ruil geschiedt volgens een schatting door deskundigen, die door de rechtbank ambtshalve benoemd worden.
  In dat geval is het in ruil ontvangen onroerend goed dotaal; de vergoeding van de overwaarde, indien er een is, is eveneens dotaal, en zal als zodanig ten voordele van de vrouw worden belegd.

  Art. 1560. Indien, buiten de hiervoren bepaalde uitzonderingsgevallen, de vrouw of de man, of beiden gezamenlijk, het dotale erf vervreemden, kan de vrouw of kunnen haar erfgenamen de vervreemding doen vernietigen na de ontbinding van het huwelijk, zonder dat men zich tegen hen kan beroepen op enige verjaring tijdens de duur van het huwelijk; de vrouw heeft hetzelfde recht na scheiding van goederen.
  De man zelf kan de vervreemding doen vernietigen gedurende het huwelijk, maar hij is tot schadevergoeding jegens de koper gehouden, indien hij in het contract niet heeft verklaard dat het verkochte goed dotaal was.

  Art. 1561. De dotale onroerende goederen waaromtrent in het huwelijkscontract niet verklaard is dat zij vervreemdbaar zijn, zijn gedurende het huwelijk niet voor verjaring vatbaar, tenzij de verjaring reeds eerder begonnen was.
  Zij worden echter voor verjaring vatbaar na scheiding van goederen, onverschillig op welk tijdstip de verjaring begonnen is.

  Art. 1562. De man is, met betrekking tot de dotale goederen, gehouden tot alle verplichtingen van een vruchtgebruiker.
  Hij is aansprakelijk voor elke verjaring die verkregen is en voor elke beschadiging die ontstaan is door zijn nalatigheid.

  Art. 1563. Indien het huwelijksgoed in gevaar is gebracht, kan de vrouw scheiding van goederen vorderen, gelijk bepaald is in de artikelen 1443 en volgende.

  AFDELING III. - TERUGGAVE VAN HET HUWELIJKSGOED.

  Art. 1564. Indien het huwelijksgoed bestaat in onroerende goederen,
  Of in roerende goederen die in het huwelijkscontract niet zijn geschat, ofwel zijn geschat met de verklaring dat de schatting de eigendom ervan aan de vrouw niet ontneemt,
  Kan de man of kunnen zijn erfgenamen genoodzaakt worden het huwelijksgoed terstond na de ontbinding van het huwelijk terug te geven.

  Art. 1565. Indien het huwelijksgoed bestaat in een geldsom,
  Of in roerende goederen die in het contract zijn geschat zonder de verklaring dat de schatting de man niet tot eigenaar ervan maakt,
  Kan de teruggave ervan eerst een jaar na de ontbinding geëist worden.

  Art. 1566. Indien de roerende goederen waarvan de vrouw de eigendom behoudt, door het gebruik en buiten de schuld van de man vervallen zijn, is hij slechts gehouden tot teruggave van de roerende goederen die overblijven, en zulks in de staat waarin deze zich bevinden.
  Niettemin mag de vrouw, in ieder geval, het linnen en de kleren die op dat ogenblik tot haar gebruik dienen, terugnemen, met dien verstande dat de waarde in rekening gebracht wordt, indien het linnen en de kleren oorspronkelijk met schatting zijn aangebracht.

  Art. 1567. Indien het huwelijksgoed schuldvorderingen of gevestigde renten bevat, die zijn teniet gegaan of verminderd zonder dat zulks aan de nalatigheid van de man kan worden toegeschreven, is hij daarvoor niet aansprakelijk, en kan hij volstaan met de contracten terug te geven.

  Art. 1568. Indien een vruchtgebruik als huwelijksgoed is aangebracht, is de man of zijn diens erfgenamen, bij de ontbinding van het huwelijk, enkel verplicht tot teruggave van het recht van vruchtgebruik en niet van de gedurende het huwelijk vervallen vruchten.

  Art. 1569. Indien het huwelijk tien jaren geduurd heeft sinds de tijd die voor de uitkering van het huwelijksgoed bepaald was, kan de vrouw of kunnen haar erfgenamen het huwelijksgoed, na de ontbinding van het huwelijk, van de man terugvorderen, zonder te moeten bewijzen dat hij het ontvangen heeft, tenzij hij mocht doen blijken dat hij vruchteloos pogingen heeft aangewend om de uitkering ervan te bekomen.

  Art. 1570. Indien het huwelijk door de dood van de vrouw ontbonden wordt, lopen de interesten en de vruchten van het terug te geven huwelijksgoed van rechtswege ten voordele van haar erfgenamen, te rekenen van de dag van de ontbinding.
  Indien het huwelijk door de dood van de man ontbonden wordt, heeft de vrouw de keus om de interesten van haar huwelijksgoed gedurende het rouwjaar te vorderen, of zich gedurende die tijd levensmiddelen te verschaffen op kosten van de nalatenschap van de man; maar in beide gevallen moeten haar gedurende dat jaar huisvesting en rouwkleren verstrekt worden uit de nalatenschap en zonder dat zulks op de haar verschuldigde interesten wordt toegerekend.

  Art. 1571. Bij de ontbinding van het huwelijk worden de vruchten van de dotale onroerende goederen tussen de man en de vrouw of hun erfgenamen verdeeld, naar evenredigheid van de tijd dat het huwelijk, in het laatste jaar, geduurd heeft.
  Het jaar wordt gerekend van de dag waarop het huwelijk werd voltrokken.

  Art. 1572. De vrouw en haar erfgenamen hebben voor de terugvordering van het huwelijksgoed geen voorrecht boven de schuldeisers wier hypotheek aan de hare voorafgaat.

  Art. 1573. Indien de man reeds onvermogend was en geen bedrijf of beroep had toen de vader huwelijksgoed aan zijn dochter gaf, heeft deze laatste geen andere verplichting dan in de nalatenschap van haar vader inbreng te doen van de rechtsvordering tot teruggave van het huwelijksgoed, die zij bezit tegen de nalatenschap van haar man.
  Indien echter de man eerst na het huwelijk onvermogend is geworden,
  Of indien hij een bedrijf of een beroep had dat voor hem het bezit van goederen verving,
  Treft het verlies van het huwelijksgoed alleen de vrouw.

  AFDELING IV. - PARAFERNALE GOEDEREN.

  Art. 1574. Alle goederen van de vrouw die niet als huwelijksgoed zijn aangebracht, zijn parafernaal.

  Art. 1575. Indien alle goederen van de vrouw parafernaal zijn, en indien het contract geen bepaling bevat waarbij haar een aandeel in de lasten van het huwelijk wordt opgelegd, draagt de vrouw in die lasten bij ten belope van een derde van haar inkomsten.

  Art. 1576. De vrouw heeft het beheer en het genot van haar parafernale goederen.
  Zij kan die echter niet vervreemden, en evenmin kan zij met betrekking tot die goederen in rechte optreden zonder machtiging van haar man, of in geval van weigering van haar man, zonder verlof van de rechter.

Art. 1577. Indien de vrouw aan haar man last geeft om haar parafernale goederen te beheren, onder verplichting om aan haar rekening te doen van de vruchten, is hij jegens haar gehouden als ieder lasthebber.

Art. 1578. Indien de man het genot van de parafernale goederen van zijn vrouw heeft gehad, zonder lastgeving, maar ook zonder verzet harerzijds, is hij, bij de ontbinding van het huwelijk, of op het eerste verzoek van de vrouw, slechts gehouden tot het opleveren van de aanwezige vruchten, en hij is geen verantwoording schuldig van de vruchten die tot dan toe zijn verbruikt.

Art. 1579. Indien de man het genot van de parafernale goederen heeft gehad, ondanks het gebleken verzet van de vrouw, is hij haar verantwoording schuldig zowel van alle aanwezige als verbruikte vruchten.

Art. 1580. De man die het genot van de parafernale goederen heeft, is gehouden tot alle verplichtingen van een vruchtgebruiker.

BIJZONDERE BEPALING.

Art. 1581. De echtgenoten die zich aan het dotaal stelsel onderwerpen, mogen niettemin een gemeenschap van aanwinsten bedingen, en de gevolgen van die gemeenschap worden geregeld zoals bepaald is in de artikelen 1498 en 1499.