De wet van 14 juli 1976 voorziet in overgangsbepalingen: Artikel 3. Overgangsbepalingen:

Artikel 1 en artikel 2 :

Artikel 1 : Overeenkomstig de volgende regels zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op de echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn gehuwd zonder huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt of na een stelsel van gemeenschap te hebben aangenomen dan wel het stelsel van scheiding van goederen of het dotaal stelsel te hebben gekozen, waarin een gemeenschap van aanwinsten is bedongen als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek:

1° Gedurende een termijn van een jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet kunnen de echtgenoten ten overstaan van een notaris verklaren dat zij hun wettelijk of bedongen huwelijksvermogensstelsel ongewijzigd wensen te handhaven.

2° Indien een dergelijke verklaring niet wordt afgelegd, zullen de echtgenoten die geen huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt of het stelsel van wettelijke gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1398 tot 1450 betreffende het wettelijk stelsel, onverminderd hetgeen zij bij huwelijkscontract hebben bedongen betreffende de voordelen aan beide echtgenoten of aan een van hen.
Evenwel kunnen zij, zonder het verstrijken van die termijn af te wachten, ten overstaan van een notaris verklaren dat zij zich onmiddellijk wensen te onderwerpen aan de bepalingen betreffende het wettelijk stelsel.
    3° Indien de verklaring bedoeld in 1° niet wordt afgelegd, zullen de echtgenoten die de gemeenschap beperkt tot de aanwinsten of de algemene gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1415 tot 1426 voor alles wat betrekking heeft op het bestuur van de gemeenschap en van de eigen goederen, alsook aan de bepalingen van de artikelen 1408 tot 1414 betreffende de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers.
Hetzelfde geldt voor de echtgenoten die de scheiding van goederen of het dotaal stelsel hebben gekozen onder beding van een gemeenschap van aanwinsten als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek, doch uitsluitend wat die gemeenschap betreft.
    4° De echtgenoten kunnen de gemeenschap of de gemeenschap van aanwinsten in onderlinge overeenstemming vereffenen en tussen hen verdelen overeenkomstig de regels van het Burgerlijk Wetboek die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van deze wet. In dat geval zullen de termijnen die bij de artikelen 1456 en 1457 van het Burgerlijk Wetboek zijn bepaald ten behoeve van de echtgenote die zich de bevoegdheid wenst voor te behouden om afstand te doen van de gemeenschap, ingaan bij het verstrijken van de termijn van één jaar bepaald in 1°.
    5° Indien de man niet akkoord gaat, kan de vrouw bij verzoekschrift aan de rechtbank van eerste aanleg vragen om de vereffening te gelasten. In dat geval worden de in 4° gestelde termijnen opgeschort vanaf het tijdstip waarop het verzoekschrift is ingediend tot het tijdstip waarop de te nemen beslissing in kracht van gewijsde gaat. De boedelbeschrijving van de gemeenschap wordt opgemaakt in aanwezigheid van de man of deze behoorlijk opgeroepen zijnde.
    6° Zodra de vereffening is afgesloten, vallen de echtgenoten bedoeld in 4° hiervoren onder alle regels van het wettelijk stelsel, onverminderd de bedingen in hun huwelijkscontract, die de voordelen toekennen aan beide echtgenoten of aan een van hen.


Art. 2