gehuwd
Hoofdstuk II. Wettelijk stelsel
Afdeling III. Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen

Art. 1415
   Het bestuur omvat alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking.
   De echtgenoten besturen het gemeenschappelijk vermogen in het belang van het gezin, naar de navolgende regels.

Art. 1416
   Het gemeenschappelijk vermogen wordt bestuurd door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder gehoudenheid voor ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen.


Art. 1417
   De echtgenoot die een beroep uitoefent, verricht alle daartoe noodzakelijke bestuurshandelingen alleen.
   Wanneer beide echtgenoten samen een zelfde beroep uitoefenen, is beider medewerking vereist voor alle handelingen behalve die van beheer.

Art. 1418
   Onverminderd het bepaalde in artikel 1417, is de toestemming van beide echtgenoten vereist om:
    1°
    a) voor hypotheek vatbare goederen te verkrijgen, te vervreemden of met zakelijke rechten te bezwaren;
    b) een handelszaak of enig bedrijf te verkrijgen, over te dragen of in pand te geven;
    c) een huurovereenkomst voor langer dan negen jaar te sluiten, te vernieuwen of op te zeggen en een handelshuur of pachtovereenkomst toe te staan;
    2°
    a) een hypothecaire schuldvordering over te dragen of in pand te geven;
    b) de prijs van een vervreemd onroerend goed of de terugbetaling van een hypothecaire schuldvordering in ontvangst te nemen en opheffing te verlenen van hypothecaire inschrijvingen;
    c) een legaat of een schenking te aanvaarden of te verwerpen, wanneer bedongen is dat de vermaakte of geschonken goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
    d) een lening aan te gaan;
    e) een kredietovereenkomst, bedoeld door de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet te sluiten], behalve wanneer die handelingen noodzakelijk zijn voor de huishouding of de opvoeding van de kinderen.

Art. 1419
   De ene echtgenoot kan zonder de toestemming van de andere niet onder de levenden beschikken om niet over goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen.
   Deze bepaling is niet toepasselijk op giften die krachtens artikel 852 vrijgesteld zijn van inbreng, noch op giften aan de langstlevende echtgenoot.