Hoofdstuk II. Wettelijk stelsel
§ 3. Baten van het gemeenschappelijk vermogen
Art. 1405 : Gemeenschappelijk zijn:
    1. de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten;
    2. de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;
    3. de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
    4. alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.

§ 4. Lasten van de eigen vermogens en van het gemeenschappelijk vermogen
Art. 1408 : Gemeenschappelijk zijn:
    – de schulden aangegaan door beide echtgenoten, gezamenlijk of hoofdelijk;
    – de schulden aangegaan door een der echtgenoten ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen;
    – de schulden door een der echtgenoten aangegaan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen;
    – de schulden ten laste van giften, aan de twee echtgenoten gezamenlijk of aan een van hen gedaan onder beding dat de gegeven of vermaakte goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
    – de interesten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten;
    – de onderhoudsschulden jegens bloedverwanten in de nederdalende lijn van een der echtgenoten;
    – de schulden waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.