ARTIKEL VIJF: VERMOEDENS.
De goederen die in het bezit zijn van de echtgenoten zullen bij gebrek aan bewijs vermoed worden hen als volgt toe te behoren :
1.    De klederen, het linnen, de juwelen en alle andere voorwerpen voor persoonlijk gebruik van de ene of de andere echtgenoot, met inbegrip van de voorwerpen die dienen tot het uitoefenen van het beroep, zullen altijd vermoed worden toe te behoren aan diegene die er het gebruik van heeft.
2.    De goederen en voorwerpen voor gemeenschappelijk gebruik van de echtgenoten en die aanwezig zijn in de plaatsen waar zij tezamen wonen, alsook de waarden aan toonder en de gelden die zich in de gezinswoning bevinden, zullen vermoed worden hen elk voor de helft in onverdeeldheid toe te behoren.
3.    De stukken die zich in een kluis bevinden, zullen vermoed worden toe te behoren aan de echtgenoot die huurder is van de kluis.
4.    De rekeningen en stukken die op beider naam staan, worden vermoed hen elk voor de helft in onverdeeldheid toe te behoren.
5.    De goederen waarvan de echtgenoten het uitsluitend eigendomsrecht niet zullen kunnen bewijzen, zullen vermoed worden hen elk voor de helft in onverdeeldheid toe te behoren.

Belgie