Wetboek van de inkomstenbelastingen : Titel VII. Vestiging en invordering van de belastingen (art. 297 - 463) : Hoofdstuk VIII. Invordering van de belasting (art. 393 - 419)

Afdeling I : Belastingschuldigen

....
Artikel 394 (voor inkomsten 2007:)

§ 1. De belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van een van de echtgenoten en de op zijn naam ingekohierde voorheffing mogen, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning wordt geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten worden verhaald.

Die belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van één van de echtgenoten, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet op de eigen goederen van de andere echtgenoot worden verhaald wanneer deze laatste aantoont :

   1° dat hij ze bezat vóór het huwelijk of vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning;

   2° of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;

   3° of dat hij ze heeft verkregen door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;

   4° of dat het gaat om inkomsten die hem krachtens het burgerlijk recht eigen zijn of om goederen die hij met zulke inkomsten heeft verworven.

   § 2. In afwijking van § 1 kan, in geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten, de belasting op het vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding verworven inkomen van één van de echtgenoten, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing die vanaf hetzelfde kalenderjaar op naam van één van hen wordt ingekohierd, niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot of op de goederen die deze met dat inkomen heeft verworven.

   § 3. Na de ontbinding van het huwelijk of de beëindiging van de wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek kunnen de belastingen en voorheffingen die betrekking hebben op het inkomen dat de echtgenoten vóór die ontbinding of beëindiging hebben verkregen, worden ingevorderd op de goederen van de beide echtgenoten, op de wijze omschreven in §§ 1 en 2.

   § 4. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, bepaalt de Koning de wijze waarop het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van elke belastingplichtige wordt vastgesteld.

   § 5. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de belastingen en de voorheffingen in verband met de periode vóór het huwelijk en vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning.

----------------------------------------

Rechtsleer

Art. 394 :    

    * art. 394 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2005. (Art. 57, B, W 10.08.2001) B.S. 20.09.2001 en (Art. 2, W 10.08.2005) B.S. 02.09.2005
        
    * art. 394, § 2 , § 3 en § 5 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2002 (Art. 57, A, W 10.08.2001) B.S. 20.09.2001
       
    * art. 394 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2000. (Art. 7, W 04.05.1999) B.S. 04.06.1999
       
    * art. 394 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 295, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992