Belgisch Burgerlijk Wetboek
Boek 1 : Titel V. : Het huwelijk

Hoofdstuk IV. Vorderingen tot nietigverklaring van het huwelijk


Art. 180. Tegen een huwelijk dat is aangegaan zonder de vrije toestemming van beide echtgenoten of van een van beide echtgenoten, kan alleen worden opgekomen door de echtgenoten of door degene van hen wiens toestemming niet vrij geweest is.
  Wanneer er dwaling in de persoon heeft plaatsgehad, kan tegen het huwelijk alleen worden opgekomen door degene van de echtgenoten die in dwaling werd gebracht.

Art. 181. In het geval van het vorige artikel is de vordering tot nietigverklaring niet meer ontvankelijk, wanneer de samenwoning is voortgezet gedurende zes maanden nadat de echtgenoot zijn volle vrijheid heeft verkregen of de dwaling door hem is ontdekt.

Art. 184. Tegen elk huwelijk dat is aangegaan met overtreding van de bepalingen van de artikelen 144, 146bis, 147, 161, 162, 163, 341 of 363, kan worden opgekomen door de echtgenoten zelf, door allen die daarbij belang hebben en door het openbaar ministerie.

Art. 185. Tegen een huwelijk dat is aangegaan door een minderjarige echtgenoot of door minderjarige echtgenoten die van de jeugdrechtbank geen toestemming hebben gekregen om een huwelijk aan te gaan, kan evenwel niet meer worden opgekomen wanneer zes maanden verlopen zijn sinds die echtgenoot of de echtgenoten de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben.

Art. 187. In alle gevallen waarin, overeenkomstig artikel 184, de vordering tot nietigverklaring kan worden ingesteld door allen die daarbij belang hebben, kan zulks niet geschieden door de bloedverwanten in de zijlijn of door de kinderen, die niet uit dit huwelijk geboren zijn, zolang beide echtgenoten in leven zijn, doch eerst wanneer zij daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang hebben.

Art. 188. De echtgenoot ten nadele van wie een tweede huwelijk is aangegaan, kan de nietigverklaring ervan vorderen zelfs tijdens het leven van de echtgenoot die met hem verbonden was.

Art. 189. Indien de nieuwe echtgenoten de nietigheid van het eerste huwelijk inroepen, moet vooraf worden beslist of dat huwelijk geldig dan wel nietig is.

Art. 190. In alle gevallen waarin artikel 184 toepasselijk is en met inachtneming van de in artikel 185 gestelde beperkingen, kan en moet de procureur des Konings de nietigverklaring van het huwelijk vorderen tijdens het leven van beide echtgenoten en hen doen veroordelen om van elkaar te scheiden.

Art. 191. Tegen elk huwelijk dat niet in het openbaar is aangegaan en dat niet voor de bevoegde openbare ambtenaar is voltrokken of waarvan geen afgifte is gedaan zoals bepaald in artikel 63, kan worden opgekomen door de echtgenoten zelf, door de ouders, door de grootouders en door allen die daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang hebben, alsook door het openbaar ministerie. 

Art. 192. Indien het huwelijk niet is voorafgegaan door de vereiste aangifte, of indien door de wet toegelaten vrijstellingen niet zijn verkregen, of indien de voorgeschreven termijnen bij de aangifte en de huwelijksvoltrekking niet in acht zijn genomen, wordt de openbare ambtenaar gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank en worden de gehuwden of degenen onder wier gezag zij gehandeld hebben, gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.

  Art. 193. De in het vorige artikel bepaalde straffen worden opgelegd aan de daarin genoemde personen, wegens elke overtreding van de in artikel 166 gestelde regels, ook al mochten die overtredingen niet voldoende geacht worden om de nietigheid van het huwelijk te doen uitspreken.

Art. 193bis. Onverminderd de toepassing van de artikelen 184, 190 en 191 hiervoren en van artikel 46 van de wet van 20 april 1810 op de inrichting der rechterlijke orde en het beleid der justitie, kan het openbaar ministerie als tussenkomende partij optreden bij alle rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een huwelijk.

Art. 194. Niemand kan op de hoedanigheid van echtgenoot en op de burgerlijke gevolgen van het huwelijk aanspraak maken, indien hij niet een in het register van de burgerlijke stand ingeschreven akte van huwelijksvoltrekking overlegt; behoudens de gevallen genoemd in artikel 46, in de titel "Akten van de burgerlijke stand."

Art. 195. Het bezit van staat kan degenen die beweren met elkaar gehuwd te zijn en zich tegenover elkaar op dat bezit beroepen, niet ontslaan van de verplichting om de akte van huwelijksvoltrekking, verleden ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, over te leggen.

Art. 196. Wanneer er bezit van staat aanwezig is en de akte van huwelijksvoltrekking, verleden ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt overgelegd, zijn de echtgenoten niet ontvankelijk om tegen elkaar de nietigverklaring van die akte te vorderen.

Art. 197. Zijn er echter, in de gevallen van de artikelen 194 en 195, kinderen, geboren uit twee personen die openlijk als man en vrouw geleefd hebben en die beiden overleden zijn, dan kan de afstamming van de kinderen niet betwist worden alleen onder voorwendsel dat de akte van huwelijksvoltrekking niet overgelegd wordt, wanneer die wettigheid blijkt uit een bezit van staat dat door de akte van geboorte niet wordt tegengesproken.

Art. 198. Wanneer het bewijs van de wettelijke voltrekking van een huwelijk is verkregen ten gevolge van een strafrechtelijke procedure, verzekert de inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke stand aan het huwelijk, te rekenen van de dag van de voltrekking, alle burgerlijke gevolgen ten aanzien zowel van de echtgenoten als van de uit het huwelijk geboren kinderen.

Art. 199. Zijn de echtgenoten of is een van hen overleden zonder het bedrog te hebben ontdekt, dan kan de strafvordering worden ingesteld door allen die er belang bij hebben het huwelijk geldig te doen verklaren, alsook door de procureur des Konings.

Art. 200. Is de openbare ambtenaar reeds overleden wanneer het bedrog ontdekt wordt, dan wordt de rechtsvordering voor de burgerlijke rechtbank ingesteld tegen zijn erfgenamen door de procureur des Konings, in tegenwoordigheid van de belanghebbende partijen en op hun aangifte.

Art. 201. Het huwelijk dat nietig verklaard is, heeft niettemin gevolgen ten aanzien van de echtgenoten, wanneer het te goeder trouw is aangegaan.
  Is de goede trouw slechts bij een van beide echtgenoten aanwezig, dan heeft het huwelijk alleen gevolgen ten voordele van die echtgenoot.

Art. 202. Het heeft eveneens gevolgen ten voordele van de kinderen, ook al is geen van beide echtgenoten te goeder trouw geweest.

Wetsgeschiedenis