Belgisch Gerechtelijk Wetboek

Deel V : Bewarend beslag, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling

Titel IV. Collectieve schuldenregeling

Hoofdstuk I. - Procedure van collectieve schuldenregeling

Afdeling 5. - Bepalingen gemeenschappelijk aan beide procedures

Art. 1675/16bis. Belgisch Gerechtelijk Wetboek anno 2006

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 1287 van het Burgerlijk Wetboek en behalve in geval van het organiseren van bedrieglijk onvermogen, kunnen natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld ten behoeve van de verzoeker, volledig of gedeeltelijk van hun verbintenis worden bevrijd indien de rechter vaststelt dat hun verbintenis onevenredig is met hun inkomsten en met hun vermogen.

§ 2. Om de in § 1 bedoelde bevrijding te genieten, legt de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid ten behoeve van de verzoeker heeft gesteld, ter griffie van het gerecht waarbij het verzoek tot collectieve schuldenregeling is ingediend, een verklaring neer waaruit blijkt dat zijn verbintenis onevenredig is met zijn inkomsten en met zijn vermogen.

Zodra deze persoon bekend is, wordt hij daartoe door de schuldbemiddelaar, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, in kennis gesteld van de mogelijkheid de in het eerste lid bedoelde verklaring neer te leggen. Deze kennisgeving bevat de tekst van dit artikel.

§ 3. De in § 2 bedoelde verklaring vermeldt de identiteit van de persoon, zijn beroep en zijn woonplaats.

De persoon voegt bij zijn verklaring:

1° het afschrift van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;

2° de lijst van alle activa en passiva die behoren tot zijn vermogen;

3° alle andere stukken aan de hand waarvan de staat van zijn middelen en zijn lasten nauwkeurig kan worden opgemaakt.

De verklaring wordt bij het dossier van collectieve schuldenregeling gevoegd.

Ingeval de verklaring of de bijlagen erbij onvolledig zijn, verzoekt de rechter de persoon binnen acht dagen de vereiste nadere gegevens te verstrekken of de nodige stukken neer te leggen.

§ 4. De rechter doet uitspraak over de bevrijding van de persoon die de in § 2 bedoelde verklaring heeft neergelegd wanneer hij de beslissing neemt waarmee hij een minnelijke aanzuiveringsregeling homologeert of een gerechtelijke aanzuiveringsregeling beveelt.

Hij kan tevens uitspraak doen op een later tijdstip, indien de behandeling van de bevrijding de beoordeling van het verzoek tot collectieve schuldenregeling kan vertragen.

De rechter hoort in elk geval vooraf de verzoeker, de persoon die de in § 2 bedoelde verklaring heeft neergelegd of de betrokken schuldeisers, die bij gerechtsbrief worden opgeroepen.

§ 5. Indien de persoon voor wie de persoon bedoeld in § 1 een persoonlijke zekerheid heeft gesteld, voldoet aan de voorwaarden om een verzoek tot collectieve schuldenregeling in te dienen, doch nalaat zulks te doen, kan tevens om bevrijding worden verzocht bij de rechter die bevoegd is inzake collectieve schuldenregeling.

Het verzoek is gericht tegen de hoofdschuldenaar en de schuldeiser van de verbintenis die door de in § 1 bedoelde persoon wordt gewaarborgd.

Bevrijding wordt verleend indien de rechter vaststelt dat de verbintenis van de in § 1 bedoelde persoon onevenredig is met diens inkomsten en met diens vermogen.

De persoon die om bevrijding verzoekt, legt tot staving van zijn verzoek, op straffe van schorsing, volgende stukken neer:

1° het afschrift van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;

2° de lijst van alle activa of passiva die behoren tot zijn vermogen;

3° alle andere stukken aan de hand waarvan de staat van zijn middelen en zijn lasten nauwkeurig kan worden opgemaakt.

De indiening van het verzoek schorst de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld ten voordele van de hoofdschuldenaar, zulks tot over het verzoek een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt genomen.

Bevrijding van de borgsteller

Ingevoegd bij Wet van 13 december 2005, art. 19; Inwerkingtreding : 31-12-2005

Collectieve schuldenregeling werd ingevoerd in 1998 en is anno 2006 alleen voor natuurlijke personen die geen handelaar zijn. Reeds voordien bestond het Failissement maar dat was voorbehouden voor handelaars, natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Anno 2005 werd ook in art. 20 van de Faillissementswet voorzien in een mogelijkheid voor de borgsteller om zich te bevrijden.