De Hypotheekwet

Hoofdstuk II. Voorrechten

§ III. Rang van de voorrechten op de roerende goederen in geval van samenloop van die rechten.

Art. 21. De gerechtskosten gaan boven alle schuldvorderingen ten behoeve waarvan zij zijn gemaakt.

Art. 22. De kosten die tot behoud van de zaak gemaakt zijn, gaan boven de vroegere voorrechten. Zij gaan, in alle gevallen, zelfs boven het voorrecht van de laatste drie nummers van artikel 19.

Art. 23. De pandhoudende schuldeiser, de logementhouder en de vervoerder hebben de voorrang boven de verkoper van het roerend goed dat tot pand strekt, behalve indien zij bij de ontvangst wisten, dat de prijs ervan nog verschuldigd was.

Het voorrecht van de verkoper wordt pas uitgeoefend na dat van de eigenaar van het huis of van de hoeve, tenzij de verkoper ten tijde dat de roerende goederen in de verhuurde plaatsen werden gebracht, de verhuurder heeft gewaarschuwd dat de prijs ervan niet betaald was.

Art. 24. De bedragen, verschuldigd voor de zaken of voor de kosten van de oogst van het jaar, worden betaald uit de opbrengst van die oogst, en de bedragen, verschuldigd voor het gereedschap dat voor de exploitatie dient, worden betaald uit de opbrengst van dat gereedschap, met, in beide gevallen, voorrang boven de verpachter.

Art. 25. Het voorrecht van de begrafeniskosten gaat boven alle andere voorrechten, met uitzondering van het voorrecht van de gerechtskosten, het voorrecht van de naderhand tot behoud van de zaak gemaakte kosten, en het voorrecht van de logementhouder, van de vervoerder en van de pandhoudende schuldeiser, voor zover de verkoper van de in pand gegeven zaak boven hen geen voorrang heeft.

Art. 25bis. De voorrechten bepaald in artikel 20, 1° en 2°, hebben voorrang boven het voorrecht van artikel 20, 11°.

Art. 26. De bijzondere voorrechten hebben de voorrang boven de overige algemene voorrechten.

 

2747.com / law / recht

contact

Publiekrecht Burgerlijk recht