belgie1.jpg (23481 bytes)

16 DECEMBER 1851. _ HYPOTHEEKWET - BURGERLIJK WETBOEK BOEK III TITEL XVIII : Voorrechten en hypotheken. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-04-1987 en tekstbijwerking tot 15-05-2003) Publicatie : 22-12-1851 Inwerkingtreding : 02-01-1852 Dossiernummer : 1851-12-16/01

Inleidende bepalingen. Overdracht van zakelijke rechten. Artikel 1. (Alle akten onder de levenden, om niet of onder bezwarende titel, tot overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten, andere dan voorrechten en hypotheken, (met inbegrip van de authentieke akten bedoeld in de artikelen 577-4, § 1, en 577-13, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van de daarin aangebrachte wijzigingen), worden (...) geheel overgeschreven in een daartoe bestemd register, op het kantoor van bewaring der hypotheken van het arrondissement waar de goederen zijn gelegen. Tot dan toe kan men zich op die akten niet beroepen tegen derden die zonder bedrog gecontracteerd hebben.) Deze bepaling is ook van toepassing op de in kracht van gewijsde gegane vonnissen die gelden als overeenkomst of als titel voor de overdracht van die rechten, alsook op de akten van afstand van die rechten en op de huurcontracten die voor langer dan negen jaren zijn aangegaan of kwijting inhouden van ten minste drie jaren huur. Indien deze huurcontracten niet zijn overgeschreven wordt de huurtijd verminderd overeenkomstig artikel 1429 van het Burgerlijk Wetboek. Art. 2. Alleen vonnissen, authentieke akten en in rechte of voor notaris erkende onderhandse akten worden ter overschrijving aangenomen. De volmachten tot die akten betrekkelijk moeten in dezelfde vorm gegeven worden. De notarissen en al degenen, openbare ambtenaren of anderen, die belast zijn met het verlenen van authenticiteit aan de akten die aan overschrijving zijn onderworpen, zijn gehouden de vervulling van de formaliteit te vorderen binnen twee maanden na de dagtekening van die akten. (Indien de akte die aan overschrijving is onderworpen, betrekking heeft op onroerende goederen in onderscheidene ambtsgebieden gelegen, wordt voornoemde termijn op drie maanden gebracht.) Art. 3. (Geen eis strekkende tot vernietiging of tot herroeping van rechten voortbloeiende uit akten, aan overschrijving onderworpen, wordt door de rechter ontvangen, dan na te zijn ingeschreven op de kant der overschrijving van de titel van verkrijging, waarvan de vernietiging of de herroeping gevorderd wordt, en, in voorkomend geval, op de kant der overschrijving van het laatste overgeschreven titel.) Iedere uitspraak op zodanige eis wordt eveneens ingeschreven achter de inschrijving die bij de vorige paragraaf is voorgeschreven. (In de gevallen bepaald in artikel 577-12, derde en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de beslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de authentieke akte vermeld in artikel 577-1, § 1, van hetzelfde Wetboek. Hetzelfde geldt voor de inleidende akte in het geval bedoeld in artikel 577-12, vierde lid, van hetzelfde Wetboek.) De griffiers mogen, op straffe van vergoeding van alle schade, geen uitgifte van zodanige vonnissen afgeven, voordat hun behoorlijk bewezen is in de bij artikel 84 voorgeschreven vorm dat de inschrijving gedaan is. Art. 4. Alle vervreemdingen die gedaan zijn en alle hypotheken en andere zakelijke lasten die gevestigd zijn vóór de bij artikel 3 vereiste inschrijving, blijven geldig, ingeval noch de herroeping noch de vernietiging nadeel kunnen toebrengen aan zodanige rechten, vóór de rechtsvordering toegestaan. Indien de eis niet is ingeschreven, zal het vonnis van herroeping of van vernietiging, ten aanzien van derden, eerst gevolg hebben van de dag waarop het zal zijn ingeschreven. Art. 5. Op de overdracht van een ingeschreven bevoorrechte of hypothecaire schuldvordering, of op de indeplaatsstelling in een zodanig recht, kan men zich tegen derden alleen beroepen indien zij voortvloeien uit akten in artikel 2 genoemd en indien de dagtekening en de aard van de titel van de overnemer op de kant der inschrijving zijn vermeld, met opgave van de namen, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen. (Hetzelfde geldt voor de afstand van de rang van een hypotheek, alsook voor de inpandgeving van een ingeschreven bevoorrechte of hypothecaire schuldvordering.) De bewaarder vermeldt, onderaan op het borderel, de in zijn registers aangebrachte wijziging. In geval van overdracht van een niet ingeschreven bevoorrechte of hypothecaire schuldvordering, of van indeplaatsstelling in een zodanig recht, zal de overnemer de hypotheek of het voorrecht door inschrijving niet kunnen bewaren dan voor zover de akte van overdracht verleden is in de vorm die voor de ingeschreven schuldvorderingen vereist is. Art. 6. Ieder tegen wie een hypothecaire inschrijving bestaat, genomen tot waarborg van een vaststaande en zekere schuldvordering, kan, zelfs voordat de schuld vervalt, door de overnemer van de schuldvordering gedagvaard worden vóór de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats, ten einde de verklaring af te leggen die bij artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek is voorgeschreven. De gedaagde is gehouden zich naar de bepalingen van de artikelen 1452 en volgende van het genoemde wetboek te gedragen, zoniet kan hij eenvoudig schuldenaar worden verklaard, zoals bepaald is in artikel 1542 van het voormelde wetboek. HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen. Art. 7. (2092). Ieder die persoonlijk verbonden is, is gehouden zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige. Art. 8. (2093). De goederen van de schuldenaar strekken tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers, en de prijs ervan wordt onder hen naar evenredigheid van hun vordering verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan. Art. 9. (2094). De wettige redenen van voorrang zijn de voorrechten en hypotheken. Art. 10. Onder voorbehoud van artikel 58 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, wordt elke vergoeding die door derden verschuldigd is wegens het tenietgaan, de beschadiging of het waardeverlies van het met voorrecht of hypotheek bezwaarde goed, aangewend voor de betaling van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, ieder volgens haar rang, indien de derden de vergoeding niet gebruiken voor de herstelling van dit goed. Art. 11. (2120). Door dit wetboek wordt niets gewijzigd aan de bepalingen van het zeerecht betreffende zeeschepen en -vaartuigen. HOOFDSTUK II. _ Voorrechten. Art. 12. (2095). Voorrecht is een recht dat uit hoofde van de bijzondere aard der schuldvordering aan een schuldeiser toekomt en hem voorrang verleent boven de andere schuldeisers, zelfs de hypothecaire. Art. 13. (2096). Tussen de bevoorrechte schuldeisers wordt de voorrang geregeld naar de verschillende aard van de voorrechten. Art. 14. (2097). Bevoorrechte schuldeisers die in dezelfde rang zijn, worden naar evenredigheid van hun vordering betaald. Art. 15. (2098). Het voorrecht, verbonden aan de rechten van de Staatskas, en de orde waarin het wordt uitgeoefend, worden geregeld door de wetten daartoe betrekkelijk. De Staatskas kan echter geen voorrecht bekomen ten nadele van vroeger door derden verkregen rechten. Art. 16. (2099). Voorrechten kunnen bestaan op roerende goederen of op onroerende goederen. AFDELING I. _ Voorrechten op roerende en onroerende goederen. Art. 17. De gerechtskosten zijn bevoorrecht op de roerende en de onroerende goederen, ten aanzien van alle schuldeisers in wier belang zij zijn gemaakt. AFDELING II. _ Voorrechten op roerende goederen. Art. 18. (2100). De voorrechten zijn ofwel algemeen, ofwel bijzonder met betrekking tot bepaalde roerende goederen. § I. ALGEMENE VOORRECHTEN OP ROERENDE GOEDEREN. Art. 19. (2101). (NOTA : zie verder een vorm van artikel 19 met hier niet aangebrachte wijzigingen met onbepaalde inwerkingtredingdatum.) De schuldvorderingen, bevoorrecht op alle roerende goederen, worden hierna opgesomd en zij worden in de volgende orde verhaald : 1° De gerechtskosten die in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers zijn gemaakt; 2° De begrafeniskosten in verhouding tot de stand en het vermogen van de overledene; 3° De kosten van laatste ziekte gedurende een jaar; 3°bis. (Voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, het loon zoals bepaald in artikel 2 van genoemde wet, zonder dat het bedrag daarvan 300 000 frank mag te boven gaan; deze beperking is niet van toepassing op de in het loon begrepen vergoedingen welke aan dezelfde personen verschuldigd zijn wegens beëindiging van hun dienstbetrekking. Het hiervoren bepaalde bedrag wordt om de twee jaar door de Koning aangepast, na advies van de Nationale Arbeidsraad.) (Voor dezelfde werknemers, de aanvullende vergoeding waarop zij ten laste van de werkgever recht hebben krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 afgesloten binnen de Nationale Arbeidsraad, die de toekenning voorziet van een aanvullende vergoeding aan bepaalde oudere werknemers in geval van ontslag, of krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in het paritair comité, paritair subcomité of in de onderneming, die gelijkaardige voordelen voorziet als die voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en rekening houdende met het maandbedrag van de aanvullende vergoeding, de berekeningswijze vaststellen van het bedrag van de bevoorrechte schuldvordering van deze oudere werknemer.) (De schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, gegrond op artikel 8, eerste lid, van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.) (- de bedragen uitgeleend in het kader van het investeringsspaarplan bedoeld in Hoofdstuk IV van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen.) 4° (de schuldvorderingen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en deze van de verzekeringsinstellingen bepaald bij artikel 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, de uitkeringsverzekering of de moederschapsverzekering.) (De bedragen die uit kracht van de besluitwet betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers als vakantiebijdrage of als vakantiegeld verschuldigd zijn voor het verlopen dienstjaar en voor het lopende dienstjaar;) 4°bis. (De schuldvordering van de getroffene van een arbeidsongeval, of van zijn rechthebbenden.) 4°ter. (De bijdragen verschuldigd aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid en die waarvan hij de inning verzekert, gedurende (vijf jaar) te rekenen van de dag waarop de bijdragen eisbaar zijn of van de datum der kennisgeving als bedoeld in artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de bijdragen verschuldigd aan de (Hulp- en Voorzorgkas voor zeevarenden) en die waarvan zij de inning verzekert gedurende (vijf jaar) te rekenen van de dag waarop de bijdragen eisbaar zijn, evenals de bijdragen verschuldigd aan het Fonds voor de beroepsziekten en die verschuldigd aan de Fondsen voor bestaanszekerheid en het Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders (, en aan de pensioeninstellingen en rechtspersonen, belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging, bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid) (NOTA : krachtens een vorige wijziging die op 01-01-2004 in werking treedt dient de inhoud van voorgaande haakjes als volgt gelezen worden : ", de pensioeninstellingen en rechtspersonen, belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel, bedoeld in de programmawet van 24 december 2002")en het Fonds voor arbeidsongevallen.) (De bijdragen en verhogingen verschuldigd aan de sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen en de Nationale Hulpkas voor de sociale verkeringen der zelfstandigen, met toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, van hoofdstuk III van titel III van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, gedurende (vijf jaar) te rekenen vanaf de dag waarop de bedragen eisbaar zijn.) De termijn van (vijf jaar) is geschorst door de dood van de schuldenaar, de ontneming van het bezit of de inbeslagneming, zelfs gedeeltelijk, van zijn goederen. 4°quater. De betaling van de hoofdbijdragen en van de aanvullende stortingen, die door de ingevolge deze wet onderworpen werkgevers verschuldigd zijn, wordt gewaarborgd door een voorrecht dat onmiddellijk gerangschikt wordt na nr 4ter en onder nr 4quater van artikel 19 der wet van 16 December 1851 op de voorrechten en hypotheken. 4°quinquies. (De schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers tegenover de werkgevers, gegrond op artikel 8, tweede lid, van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, in zover die schuldvorderingen niet meer bij wettelijke subrogatie ingevorderd worden, en de schuldvorderingen van hetzelfde Fonds gegrond op artikel 18 van de wet van 28 juni 1966 betreffende schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen.) 4°sexies. (Opgeheven) 4°septies. (De betaling van de bijdragen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen en in artikel 10 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers;) 4°octies. (De betaling van de bijdragen van, de bijdrageopslag en van de eventuele interest voorzien bij de wet tot oprichting van een Nationale Sociale Commissie voor de kleine ondernemingen).) 4°nonies. (De schuldvorderingen van de verzekeraar in geval van betaling van vergoedingen en renten wegens arbeidsongeval tijdens de schorsing van het verzekeringscontract.) 4°nonies. (De betaling door een onderneming van de sommen en verzuimsrente bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de wet op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.) (4°decies. De vorderingen van de auteurs, zoals omschreven in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten.) 5° De leveringen van levensmiddelen aan de schuldenaar en zijn familie gedaan gedurende zes maanden. De termijnen, in de drie vorige paragrafen bepaald, zijn die, welke aan de dood, de ontneming van het bezit of de inbeslagneming van de roerende goederen voorafgaan. Wanneer niet de gehele waarde van de onroerende goederen is opgebruikt voor de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, wordt het nog verschuldigde gedeelte van de prijs bij voorrang aangewend tot voldoening van de in dit artikel vermelde schuldvorderingen. Art. 19. (2101). (Toekomstig recht.) De schuldvorderingen, bevoorrecht op alle roerende goederen, worden hierna opgesomd en zij worden in de volgende orde verhaald : 1° De gerechtskosten die in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers zijn gemaakt; 2° De begrafeniskosten in verhouding tot de stand en het vermogen van de overledene; 3° De kosten van laatste ziekte gedurende een jaar; 3°bis. (Voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, het loon zoals bepaald in artikel 2 van genoemde wet, vooraleer de in artikel 23 van genoemde wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, zonder dat het bedrag daarvan 7.500 EUR mag te boven gaan; deze beperking wordt niet toegepast op de vergoedingen die in het loon begrepen zijn en die verschuldigd zijn aan dezelfde personen wegens beëindiging van hun aanstelling. Het hierboven bepaalde bedrag wordt om de twee jaar aangepast door de Koning, na advies van de Nationale Arbeidsraad. - De schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers gegrond : a) op artikel 61, § 1, 2° en § 2, 2° van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen voor de bedragen die het heeft betaald in uitvoering van artikel 35 van dezelfde wet; b) op artikel 62, 1° en 2° van dezelfde wet voor de inhoudingen die het heeft gedaan op de in a) bedoelde bedragen en die het heeft betaald ingevolge artikel 67, § 1, 1° van dezelfde wet.) 4° (de schuldvorderingen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en deze van de verzekeringsinstellingen bepaald bij artikel 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, de uitkeringsverzekering of de moederschapsverzekering.) (De bedragen die uit kracht van de besluitwet betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers als vakantiebijdrage of als vakantiegeld verschuldigd zijn voor het verlopen dienstjaar en voor het lopende dienstjaar;) 4°bis. (De schuldvordering van de getroffene van een arbeidsongeval, of van zijn rechthebbenden.) 4°ter. (De bijdragen verschuldigd aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid en die waarvan hij de inning verzekert, gedurende (vijf jaar) te rekenen van de dag waarop de bijdragen eisbaar zijn of van de datum der kennisgeving als bedoeld in artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de bijdragen verschuldigd aan de (Hulp- en Voorzorgkas voor zeevarenden) en die waarvan zij de inning verzekert gedurende (vijf jaar) te rekenen van de dag waarop de bijdragen eisbaar zijn, evenals de bijdragen verschuldigd aan het Fonds voor de beroepsziekten en die verschuldigd aan de Fondsen voor bestaanszekerheid en het Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders en het Fonds voor arbeidsongevallen (, alsmede de schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, gegrond op artikel 62, 2°, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen).) (De bijdragen en verhogingen verschuldigd aan de sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen en de Nationale Hulpkas voor de sociale verkeringen der zelfstandigen, met toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, van hoofdstuk III van titel III van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, gedurende (vijf jaar) te rekenen vanaf de dag waarop de bedragen eisbaar zijn.) De termijn van (vijf jaar) is geschorst door de dood van de schuldenaar, de ontneming van het bezit of de inbeslagneming, zelfs gedeeltelijk, van zijn goederen. 4°quater. De betaling van de hoofdbijdragen en van de aanvullende stortingen, die door de ingevolge deze wet onderworpen werkgevers verschuldigd zijn, wordt gewaarborgd door een voorrecht dat onmiddellijk gerangschikt wordt na nr 4ter en onder nr 4quater van artikel 19 der wet van 16 December 1851 op de voorrechten en hypotheken. 4°quinquies. (De schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers tegenover de werkgevers, de curatoren en de vereffenaars gegrond op artikel 67, § 1, 2°, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, in zover die schuldvorderingen niet meer bij wettelijke indeplaatsstelling kunnen ingevorderd worden, en de schuldvorderingen van hetzelfde Fonds, gegrond op de artikelen 61, § 1, 10, 3° en 4° en § 2, 1°, 3° en 4°, 64, § 1, eerste lid en § 2, eerste lid, van dezelfde wet.) 4°sexies. (Opgeheven) 4°septies. (De betaling van de bijdragen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen en in artikel 10 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers;) 4°octies. (De betaling van de bijdragen van, de bijdrageopslag en van de eventuele interest voorzien bij de wet tot oprichting van een Nationale Sociale Commissie voor de kleine ondernemingen).) 4°nonies. (De schuldvorderingen van de verzekeraar in geval van betaling van vergoedingen en renten wegens arbeidsongeval tijdens de schorsing van het verzekeringscontract.) 4°nonies. (De betaling door een onderneming van de sommen en verzuimsrente bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de wet op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.) (4°decies. De vorderingen van de auteurs, zoals omschreven in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten.) 5° De leveringen van levensmiddelen aan de schuldenaar en zijn familie gedaan gedurende zes maanden. De termijnen, in de drie vorige paragrafen bepaald, zijn die, welke aan de dood, de ontneming van het bezit of de inbeslagneming van de roerende goederen voorafgaan. Wanneer niet de gehele waarde van de onroerende goederen is opgebruikt voor de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, wordt het nog verschuldigde gedeelte van de prijs bij voorrang aangewend tot voldoening van de in dit artikel vermelde schuldvorderingen. (Einde van "Toekomstig recht".) § II. VOORRECHTEN OP BEPAALDE ROERENDE GOEDEREN. Art. 20. (2102). De schuldvorderingen, op bepaalde roerende goederen bevoorrecht, zijn : 1° (De huur- en pachtgelden van onroerende goederen zijn bevoorrecht op de vruchten van de oogst van het jaar, en op de waarde van al hetgeen het verhuurde huis of de hoeve stoffeert en, van al hetgeen tot de exploitatie van de hoeve dient, en wel : Indien het een huis betreft, voor twee vervallen jaren; daarenboven voor het lopende jaar, alsmede voor het jaar dat daarop volgt, en zelfs, indien de huurcontracten authentiek zijn of indien zij, onderhands zijnde, een vaste dagtekening hebben, voor al hetgeen nog moet vervallen; in dit laatste geval hebben de overige schuldeisers het recht om het huis voor het overblijvende gedeelte van de huurtijd weder te verhuren en de huur te genieten, echter onder verplichting om aan de eigenaar te betalen al hetgeen hem nog mocht zijn verschuldigd; Indien het een hoeve betreft, voor een vervallen pachtjaar en voor het lopende jaar.) Hetzelfde voorrecht geldt voor de herstellingen ten laste van de huurder en voor alles wat de uitvoering van de huur betreft. De eigenaar kan beslag leggen op de roerende goederen die zijn huis of zijn hoeve stofferen, wanneer zij buiten zijn toestemming zijn weggebracht, en hij behoudt daarop zijn voorrecht, mits hij ze heeft opgeëist binnen de tijd van veertig dagen, wanneer het roerende goederen betreft die een hoeve stoffeerden; en binnen de tijd van vijftien dagen, wanneer het roerende goederen betreft die een huis stoffeerden; 2° De bedragen, verschuldigd voor de zaden of voor de kosten van de oogst van het jaar, zijn bevoorrecht op de prijs van die oogst, en de bedragen, verschuldigd voor het gereedschap dat voor de exploitatie dient, op de prijs van dat gereedschap; 3° De schuldvordering is bevoorrecht op het pand dat zich in het bezit van de schuldeiser bevindt; 4° De kosten tot behoud van de zaak gemaakt; 5° De prijs van niet betaalde roerende goederen, indien zij zich nog in het bezit van de schuldenaar bevinden, onverschillig of hij ze met of zonder tijdsbepaling gekocht heeft. (De schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij op het voertuig dat gediend heeft voor het plegen van de inbreuk.) (Het voorrecht ingesteld bij de nrs. 4 en 5 houdt op te gelden wanneer die roerende goederen onroerend zijn geworden door bestemming of incorporatie, behalve indien het machines, toestellen, gereedschappen en ander bedrijfsuitrustingsmaterieel betreft, gebruikt in nijverheids-, handels- of ambachtsondernemingen. In dit geval blijft het voorrecht met betrekking tot deze goederen bestaan gedurende vijf jaren te rekenen van de levering; het heeft evenwel slechts gevolg voor zover binnen vijftien dagen na deze levering een door de verkoper eensluidend verklaard afschrift van de al dan niet aanvaarde factuur of van elke andere akte waaruit de verkoop blijkt, neergelegd wordt op de griffie van de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarin de schuldenaar zijn woonplaats of, bij gebreke hiervan, zijn verblijfplaats heeft. De griffier stelt op dit afschrift een akte van neerlegging. De afschriften worden in een boekdeel verzameld en hiervan wordt een dagelijks bij te houden index op steekkaarten aangelegd, volgens de namen van de kopers. De griffier is gehouden aan alle die erom verzoeken en vooraf de identiteit van de koper opgeven, inzage te verlenen van dit afschrift. De levering wordt bewezen door de boeken van de verkoper, behoudens tegenbewijs. In geval van onroerend beslag op de machines, toestellen, gereedschappen en ander bedrijfsuitrustingsmaterieel, of van faillietverklaring van de schuldenaar, voordat vijf jaren zijn verstreken, blijft het voorrecht bestaan tot na de verdeling van de penningen of tot na vereffening van het faillissement.) Indien de verkoop zonder tijdsbepaling gedaan is, kan de verkoper de verkochte voorwerpen zelfs terugvorderen zolang zij zich in het bezit van de koper bevinden, en de wederverkoop ervan beletten, mits de terugvordering geschiedt binnen acht dagen na de levering en de voorwerpen zich nog in dezelfde staat bevinden als ten tijde van de levering. Het verval van het recht op terugvordering brengt tevens mede het verval van de rechtsvordering tot ontbinding, ten aanzien van de overige schuldeisers. In de wetten en gebruiken van de koophandel betreffende de terugvordering wordt niets gewijzigd. (Opgeheven) 6° De leveringen van een (hotelhouder) zijn bevoorrecht op de goederen van de reiziger die in zijn (hotel) zijn gebracht; 7° De vrachtkosten en bijkomende kosten, op het vervoerde goed, zolang de vervoerder dit onder zich heeft, en gedurende vierentwintig uren die volgen op de aflevering aan de eigenaar of aan de geadresseerde, mits dezen in het bezit ervan gebleven zijn; 8° De schuldvorderingen, ontstaan uit misbruik en ontrouw van openbare ambtenaren in de uitoefening van hun bediening, zijn bevoorrecht op de door hen gestelde zekerheid en op de vervallen interest daarvan; (9° Voor de verzekeringsovereenkomsten waarop de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is, zijn de uit een ongeval ontstane schuldvorderingen ten bate van een door dat ongeval benadeelde derde of diens rechthebbenden, bevoorrecht op de vergoeding die de verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid verschuldigd is op grond van de verzekeringsovereenkomst. Geen betaling aan de verzekerde zal bevrijdend zijn, zolang de bevoorrechte schuldeisers niet schadeloos zijn gesteld.) 10° (...) 11° (De voorschotten die overeenkomstig de wetgeving betreffende de schadeloosstelling voor de schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater, zijn uitgekeerd voor het herstel van de schade veroorzaakt aan de oogst, op de vruchten van de oogst van het jaar of op de prijs van die oogst.) 12° (gedurende vijf jaar vanaf de datum van de factuur, de schuldvordering die de onderaannemer tegenover zijn medecontractant-aannemer heeft wegens werken die hij aan het gebouw van de bouwheer heeft uitgevoerd of laten uitvoeren, op de schuldvordering die deze medecontractant-aannemer wegens dezelfde aanneming heeft tegenover de bouwheer. De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.) (12° De schuldvorderingen van de leden van een ziekenfonds en van een landsbond op de reservefondsen door deze gevestigd volgens de bepalingen van de wetgeving betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden.) § III. RANG VAN DE VOORRECHTEN OP ROERENDE GOEDEREN IN GEVAL VAN SAMENLOOP VAN DIE VOORRECHTEN. Art. 21. De gerechtskosten gaan boven alle schuldvorderingen ten behoeve waarvan zij zijn gemaakt. Art. 22. De kosten die tot behoud van de zaak gemaakt zijn, gaan boven de vroegere voorrechten. Zij gaan, in alle gevallen, zelfs boven het voorrecht van de laatste drie nummers van artikel 19. Art. 23. De pandhoudende schuldeiser, de logementhouder en de vervoerder hebben de voorrang boven de verkoper van het roerend goed dat tot pand strekt, behalve indien zij bij de ontvangst wisten, dat de prijs ervan nog verschuldigd was. Het voorrecht van de verkoper wordt pas uitgeoefend na dat van de eigenaar van het huis of van de hoeve, tenzij de verkoper ten tijde dat de roerende goederen in de verhuurde plaatsen werden gebracht, de verhuurder heeft gewaarschuwd dat de prijs ervan niet betaald was. Art. 24. De bedragen, verschuldigd voor de zaken of voor de kosten van de oogst van het jaar, worden betaald uit de opbrengst van die oogst, en de bedragen, verschuldigd voor het gereedschap dat voor de exploitatie dient, worden betaald uit de opbrengst van dat gereedschap, met, in beide gevallen, voorrang boven de verpachter. Art. 25. Het voorrecht van de begrafeniskosten gaat boven alle andere voorrechten, met uitzondering van het voorrecht van de gerechtskosten, het voorrecht van de naderhand tot behoud van de zaak gemaakte kosten, en het voorrecht van de logementhouder, van de vervoerder en van de pandhoudende schuldeiser, voor zover de verkoper van de in pand gegeven zaak boven hen geen voorrang heeft. Art. 25bis. De voorrechten bepaald in artikel 20, 1° en 2°, hebben voorrang boven het voorrecht van artikel 20, 11°. Art. 26. De bijzondere voorrechten hebben de voorrang boven de overige algemene voorrechten. AFDELING III. _ Voorrechten op onroerende goederen. Art. 27. (2103). De schuldeisers, op onroerende goederen bevoorrecht, zijn : 1° De verkoper, op het verkochte onroerend goed, voor de betaling van de prijs; 2° De ruilers, op de wederkerig geruilde onroerende goederen, voor de betaling van de opleg en de vergoeding van de overwaarde, en ook voor de vaste som die bij de akte mocht zijn bepaald als schadeloosstelling van het geval van uitwinning; 3° De schenker, op het geschonken onroerend goed, voor de geldelijke lasten of andere begrote prestaties die aan de begiftigde zijn opgelegd; 4° De medeërfgenamen of deelgenoten, en wel : Voor de betaling van de opleg of de vergoeding van de overwaarde, op al de onroerende goederen begrepen in de kavel die met opleg bezwaard is, tenzij het voorrecht door de akte van verdeling tot een of meer van die onroerende goederen is beperkt; Voor de betaling van de prijs der veiling, op het geveilde goed; Voor de bij artikel 884 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde vrijwaring, op al de onroerende goederen die begrepen zijn in de kavel van de garanten, tenzij de akte van verdeling het voorrecht beperkt tot een deel van die onroerende goederen. Dit voorrecht bestaat slechts voor zover in de akte van verdeling een vaste som voor het geval van uitwinning bedongen is; 5° (De aannemers, architecten, metselaars en andere werklieden, die gebezigd worden voor het ontginnen van land of het droogleggen van moerassen, voor het bouwen, herbouwen of herstellen van gebouwen, kanalen of welke andere werken ook, mits echter door een deskundige, op verzoekschrift benoemd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn, vooraf een proces-verbaal is opgemaakt, de ingeschreven schuldeisers behoorlijk opgeroepen zijnde, ten einde de gesteldheid van de plaats te bepalen, met betrekking tot de werken die de eigenaar verklaart te willen uitvoeren, en mits de werken, ten laatste binnen zes maanden na hun voltooiing, door een eveneens op verzoekschrift benoemde deskundige zijn in ontvangst genomen. Het bedrag van het voorrecht mag echter de waarde die door het tweede proces-verbaal is vastgesteld, niet overschrijden, en blijft beperkt tot de meerwaarde die ten tijde van de vervreemding van het onroerende goed bestaat en uit de daaraan verrichte werken voortkomt.) 6° (De Staat, op de gezond te maken steenkolenvestigingen, ten belope van de onkosten door hem uitbetaald bij gelegenheid van de saneringswerken, uitgevoerd overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 betreffende de gezondmaking van de steenkolenvestigingen die aan hun eerste bestemming zijn onttrokken.) Art. 28. De rechtsvordering van artikel 1654 van het Burgerlijk Wetboek tot ontbinding van de koop, en de rechtsvordering van artikel 1705 tot terugvordering van de geruilde zaak, kunnen niet worden ingesteld ten nadele van de ingeschreven schuldeiser, noch ten nadele van de onderverkrijger, noch ten nadele van derden, verkrijgers van zakelijke rechten, nadat het voorrecht bij het vorige artikel verleend, is teniet gegaan of vervallen. Dezelfde regel geldt voor de rechtsvordering tot herroeping, gegrond op niet-nakoming van voorwaarden die door het voorrecht mochten zijn gewaarborgd. Ingeval de verkoper, de ruiler of de schenker de rechtsvordering tot ontbinding instelt, kunnen derden de gevolgen daarvan altijd tegenhouden, mits zij aan de eiser het kapitaal uitkeren, samen met het toebehoren dat, overeenkomstig artikel 87 van deze wet, door de inschrijving van het voorrecht is bewaard. De sommen, tot terugbetaling waarvan de verkoper of de ruiler mocht worden veroordeeld ingevolge de rechtsvordering tot ontbinding of tot terugvordering, worden aangewend tot voldoening van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, die deze eigenschap ten gevolge van een van die rechtsvorderingen zouden verliezen, en wel volgens de rang van die schuldvorderingen op het ogenblik van de ontbinding van de koop of van de ruil. AFDELING IV. _ Hoe voorrechten bewaard worden. Art. 29. (2106). Tussen de schuldeisers hebben de voorrechten slechts gevolg ten aanzien van de onroerende goederen, voor zover zij zijn openbaar gemaakt door inschrijving in de registers van de hypotheekbewaarder, met uitzondering van de voorrechten der gerechtskosten. Art. 30. De verkoper bewaart zijn voorrecht door de overschrijving van de titel waarbij de eigendom is overgedragen en waarbij wordt vastgesteld dat de koopprijs hem geheel of ten dele verschuldigd is. Art. 31. De ruilers bewaren wederzijds hun voorrecht op de geruilde onroerende goederen, door de overschrijving van het ruilcontract, waarbij wordt vastgesteld dat hun een opleg, een vergoeding van de overwaarde of een vaste som als schadeloosstelling voor het geval van uitwinning verschuldigd is. Art. 32. De schenker bewaart zijn voorrecht, voor de geldelijke lasten of de andere begrote prestaties die aan de begiftigde zijn opgelegd, door de overschrijving van de akte van schenking, waarbij die lasten en prestaties worden vastgesteld. Art. 33. De medeërfgenaam of deelgenoot bewaart zijn voorrecht door de overschrijving van de akte van verdeling of van de akte van veiling. Art. 34. De overschrijving, bij de vier vorige artikelen voorgeschreven, geldt als inschrijving voor de verkoper, de ruiler, de schenker, de erfgenaam of de deelgenoot en voor de wettelijk in hun plaats gestelde uitlener. Hetzelfde geldt voor de overschrijving die op verzoek van de laatstgenoemde gedaan wordt. Art. 35. De hypotheekbewaarder is op straffe van vergoeding van alle schade jegens derden gehouden, op het ogenblik van de overschrijving ambtshalve in zijn register de inschrijving te doen : 1° Van de schuldvorderingen die voortvloeien uit de akte van eigendomsoverdracht; 2° Van iedere opleg of vergoeding van de overwaarde, die voortvloeit uit de akte van ruiling. Deze inschrijving omvat de som die als schadevergoeding voor het geval van uitwinning bedongen is; 3° Van de geldelijke lasten en de andere begrote prestaties die voortvloeien uit de akte van schenking; 4° Van iedere opleg en vergoeding van de overwaarde, die voortvloeit uit de akte van verdeling of van veiling. Deze inschrijving vermeldt de bedingen betreffende de vrijwaring wegens uitwinning, indien zodanige bedingen zijn gemaakt. Art. 36. De verkoper, de ruilers, de schenker, de medeërfgenamen of deelgenoten kunnen, door een uitdrukkelijk beding in de akte, de hypotheekbewaarder ontslaan van de ambtshalve te nemen inschrijving. In dat geval verliezen zij het voorrecht en het recht om een vordering tot ontbinding of tot terugvordering in te stellen, maar zij kunnen, krachtens hun titel, een hypothecaire inschrijving nemen, waarvan echter de rang zal worden bepaald door haar dagtekening. Art. 37. De bij de vorige artikelen voorgeschreven inschrijvingen moeten door de schuldeisers vernieuwd worden overeenkomstig artikel 90. Bij gebreke van vernieuwing hebben dezen nog slechts een hypotheek, waarvan de rang zal worden bepaald door de dagtekening van haar inschrijving. Art. 38. (2110). Door 1° de inschrijving van het proces-verbaal, die gedaan is voor de aanvang van de werken en waaruit de gesteldheid van de plaats blijkt; en 2° de inschrijving van het tweede proces-verbaal binnen vijftien dagen nadat de werken in ontvangst zijn genomen; bewaren de aannemers, architecten, metselaars en andere werklieden, gebezigd om de werken uit te voeren waarvan sprake in artikel 27, hun voorrecht op de dag van het eerste proces-verbaal. Na het verstrijken van die laatste termijn hebben zij nog slechts een hypotheek, waarvan de rang wordt bepaald door de dagtekening van haar inschrijving, en alleen voor de meerwaarde. Art. 38bis. De Staat behoudt het voorrecht, voorzien bij artikel 27, 6°, door inschrijving gedaan, vóór de aanvang der werken, van het proces-verbaal, dat de plaatsbeschrijving vaststelt en van het verslag, opgesteld door het Aankoopcomité, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 betreffende de gezondmaking van de steenkolenvestigingen, die aan hun eerste bestemming zijn onttrokken en door de inschrijving, gedaan na het einde van de werken, van het proces-verbaal, dat de plaatsbeschrijving vaststelt en de eindafrekening van de uitgevoerde werken bevat. Het voorrecht wordt behouden van de eerste inschrijving af, voor zover dat de tweede inschrijving wordt gedaan binnen de drie maanden van de definitieve oplevering der werken. Eens deze termijn overschreden, zal het voorrecht slechts van de tweede inschrijving af zijn plaats innemen. Indien de door het Aankoopcomité gedane schattingen worden betwist, wordt de melding van de rechtsvordering door het Aankoopcomité ingevoerd, overeenkomstig de laatste alinea van artikel 7 van het voormeld besluit, gedaan naast de inschrijving van het betwist proces-verbaal en verslag. De definitieve uitspraak over deze rechtsvordering gedaan, wordt ingeschreven. Art. 39. De schuldeisers en legatarissen, die volgens artikel 878 van het Burgerlijk Wetboek het recht hebben om de afscheiding van de boedels te vragen, bewaren dit recht met betrekking tot de onroerende goederen der nalatenschap ten opzichte van de schuldeisers van de erfgenamen of vertegenwoordigers van de overledene, door inschrijving te nemen op elk van die onroerende goederen binnen zes maanden na het openvallen van de erfenis. Totdat deze termijn verstreken is, kan geen hypotheek op die goederen worden gevestigd en kan geen vervreemding ervan worden toegestaan door de erfgenamen of vertegenwoordigers van de overledene, ten nadele van de schuldeisers en legatarissen. Art. 40. De overnemers van die verschillende bevoorrechte schuldvorderingen oefenen dezelfde rechten uit als de overdragers in wier plaats zij treden, mits zij zich gedragen naar de bepalingen van artikel 5 van deze wet. HOOFDSTUK III. _ Hypotheken. Art. 41. (2114). Hypotheek is een zakelijk recht op onroerende goederen, die verbonden zijn ter voldoening van een verbintenis. Zij is uit haar aard ondeelbaar en blijft voor het geheel bestaan op al de verbonden onroerende goederen, op elk van die goederen en op ieder gedeelte ervan. Zij volgt die goederen, in welke handen zij ook overgaan. Art. 42. (2115). Hypotheek komt slechts tot stand in de gevallen en overeenkomstig de vormen bij de wet toegelaten. Art. 43. (2116). Er zijn wettelijke hypotheken, bedongen hypotheken en testamentaire hypotheken. Art. 44. (2117). De wettelijke hypotheek is de hypotheek die uit de wet ontstaat. De bedongen hypotheek is de hypotheek die afhankelijk is van overeenkomsten en van de uiterlijke vorm van akten en contracten. De testamentaire hypotheek is de hypotheek die door een erflater wordt gevestigd op een of meer onroerende goederen, bepaaldelijk aangewezen in het testament, tot waarborg van de door hem gemaakte legaten. Art. 45. (2118). Voor hypotheek zijn alleen vatbaar : 1° Onroerende goederen die in de handel zijn; 2° De rechten van vruchtgebruik, erfpacht en opstal, gevestigd op dezelfde goederen, zolang die rechten duren. De verkregen hypotheek strekt zich uit tot het toebehoren dat als onroerend goed beschouwd wordt, en tot de verbeteringen die aan het met hypotheek bezwaard onroerend goed worden aangebracht. Niettemin is de hypothecaire schuldeiser gehouden de verkoop te eerbiedigen van de gewone kappingen van schaarhout en van hoogstammig hout, die te goeder trouw volgens plaatselijk gebruik zijn gedaan, onverminderd de uitoefening van zijn recht op de niet betaalde prijs. Verhuringen, te goeder trouw toegestaan na de vestiging van de hypotheek, worden eveneens geëerbiedigd; evenwel, indien zij voor langer dan negen jaren zijn aangegaan, wordt de huurtijd verminderd overeenkomstig (artikel 595 van het Burgerlijk Wetboek). Art. 45bis. Hypotheek kan gevestigd worden op gebouwen waarvan de oprichting begonnen of zelfs nog maar ontworpen is, mits hij die de hypotheek verleent, een reeds bestaand recht heeft, op grond waarvan hij te zijnen behoeve vermag te bouwen. Art. 46. (2119). Roerende goederen kunnen niet worden gevolgd krachtens hypotheek. AFDELING I. _ Wettelijke hypotheken. Art. 47. (2121). De rechten en schuldvorderingen waaraan een wettelijke hypotheek is toegekend, zijn : (...) die van minderjarigen en onbekwaamverklaarden, op de goederen van hun voogd; ((...)); die van de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen, op de goederen van de ontvangers en beheerders die rekenplichtig zijn. (Ten voordele doch op kosten van het Fonds ter voorkoming en vergoeding van schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater wordt een wettelijke hypotheek toegekend op de onroerende goederen waarvoor het Fonds een voorschot heeft uitgekeerd overeenkomstig de wetgeving betreffende de schadeloosstelling veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.) (Ten voordele van het Hulpfonds tot financieel herstel van de gemeenten wordt een wettelijke hypotheek toegekend op de onroerende goederen van de gemeenten die een tegemoetkoming van het Fonds genieten.) (Bevestiging) Art. 48. (2122). De wettelijke hypotheek van de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen strekt zich uit tot de tegenwoordige en toekomstige goederen van de rekenplichtige en tot de toekomstige goederen (van zijn echtgenoot of echtgenote, tenzij deze die goederen door erfenis of schenking, of onder bezwarende titel met zijn of haar eigen penningen), verkregen heeft. § 1. WAARBORGEN DOOR VOOGDEN TE VERSTREKKEN IN HET BELANG VAN MINDERJARIGEN EN ONBEKWAAMVERKLAARDEN. Art. 49. De vrederechter stelt binnen de termijn bepaald in artikel 407, § 1, van het Burgerlijk Wetboek het bedrag vast waarvoor een hypothecaire inschrijving wordt genomen. Hij wijst de onroerende goederen aan waarop deze inschrijving moet worden gevorderd, zulks rekening houdend met het vermogen van de minderjarigen en van de onbekwaamverklaarden, met de aard van de waarden waaruit het vermogen bestaat, alsook met hetgeen zich in verband met de verantwoordelijkheid van de voogd kan voordoen. De vrederechter kan naar gelang van de omstandigheden verklaren dat op de goederen van de voogd geen inschrijving wordt genomen. Dergelijke verklaring geldt slechts totdat zij wordt herroepen. Art. 50. (Opgeheven) Art. 51. (Opgeheven) Art. 52. De inschrijving wordt genomen op verzoek van de griffier, zulks krachtens de beschikking van de vrederechter of het vonnis van de rechtbank. Indien de voogd zich, vooraleer deze formaliteit is vervuld, meer met het beheer inlaat dan is toegestaan op grond van de beschikking gegeven krachtens artikel 391 van het Burgerlijk Wetboek, kan de vrederechter hem de voogdij overeenkomstig artikel 398 van het Burgerlijk Wetboek onttrekken. De toeziende voogd moet op eigen verantwoordelijkheid erover waken dat de inschrijving wettig op de goederen van de voogd wordt genomen. Art. 53. (Opgeheven) Art. 54. De griffiers mogen op eigen verantwoordelijkheid en op straffe van afzetting, indien daartoe grond bestaat, geen uitgifte van beschikkingen gegeven ter uitvoering van artikel 407 van het Burgerlijk Wetboek afgeven vooraleer tegen de voogd de inschrijving is genomen voor de bedragen en op de onroerende goederen die de vrederechter heeft aangewezen. Art. 55. (Opgeheven) Art. 56. Indien de voogd onroerende goederen bezit, die echter ontoereikend worden geoordeeld om voor zijn gehele beheer tot waarborg te strekken, kan de vrederechter overeenkomstig artikel 407, § 1, 6°, van het Burgerlijk Wetboek, bijkomende waarborgen bepalen. Art. 57. (Opgeheven) Art. 58. Ingeval de waarborgen verstrekt aan de minderjarigen of aan de onbekwaamverklaarden ontoereikend zijn geworden, kan de vrederechter krachtens artikel 407, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bepalen dat het bedrag dat door de hypotheek gewaarborgd moest zijn, wordt verhoogd of dat die hypotheek tot andere onroerende goederen wordt uitgebreid. Indien de voogd geen andere onroerende goederen bezit of de waarde ervan ontoereikend wordt geoordeeld, kan de vrederechter andere waarborgen of bijkomende waarborgen bepalen zoals omschreven in artikel 56. Art. 59. Indien de voogd, in de gevallen van de artikelen 57 en 58, naderhand onroerende goederen verkrijgt, wordt gehandeld zoals in de artikelen 49 en volgende bepaald is. Art. 60. Indien de door de voogd verstrekte waarborgen in de loop van de voogdij blijkbaar overmatig worden, kan de vrederechter overeenkomstig artikel 407, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, de aanvankelijk gestelde zekerheid verminderen. Art. 61. (Opgeheven) Art. 62. (Opgeheven) Art. 63. (Opgeheven) § 2. WAARBORGEN TEN BEHOEVE VAN GEHUWDE VROUWEN. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) Art. 64. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) De vrouw heeft een bijzondere hypotheek op de goederen die bij het huwelijkscontract zijn verbonden tot zekerheid van haar huwelijksgoed en van haar huwelijksvoorwaarden. Zij kan in haar huwelijkscontract eveneens een bijzondere hypotheek bedingen tot waarborg van de terugnemingen, van welke aard ook, zelfs voorwaardelijke of eventuele, die zij tegen haar man zal hebben uit te oefenen. Deze hypotheken worden door de man, vóór de voltrekking van het huwelijk, ingeschreven en hebben gevolg te rekenen van de dag van de inschrijving. De inschrijving kan ook door de vrouw gevorderd worden. Art. 65. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) Het contract wijst de goederen aan die met hypotheek bezwaard worden, het voorwerp van de waarborg en bepaalt tot welk bedrag de inschrijving mag worden genomen. Art. 66. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) Indien geen hypotheek bedongen is, of ingeval van ontoereikendheid van de waarborgen door het contract bepaald, kan de vrouw, gedurende het huwelijk, krachtens een machtiging van de voorzitter van de rechtbank van haar woonplaats, en tot een door hem vast te stellen bedrag, hypothecaire inschrijvingen vorderen op de onroerende goederen van haar man, tot zekerheid van de rechten in § 1 van artikel 64 vermeld. Art. 67. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) De vrouw kan altijd, niettegenstaande beding van het tegendeel, maar krachtens een machtiging van de voorzitter van de rechtbank van haar woonplaats, gedurende het huwelijk, inschrijvingen vorderen op de onroerende goederen van haar echtgenoot wegens alle gronden van verhaal die zij tegen hem kan hebben, zoals die welke ontstaan uit verbintenissen door haar ondertekend, uit vervreemding van haar eigen goederen, uit schenkingen of uit erfenissen waartoe zij mocht zijn geroepen. Art. 68. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) De inschrijvingen die krachtens de artikelen 66 en 67 genomen worden, wijzen elk onroerend goed in het bijzonder aan en vermelden de bedragen waarvoor die inschrijvingen worden gevorderd. Art. 69. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) De bloedverwanten en aanverwanten van de echtgenoten tot en met de derde graad kunnen, in de gevallen in de vorige artikelen bedoeld, mits zij zich gedragen naar de daarin voorgeschreven regels, de inschrijvingen vorderen in naam van de vrouw. Art. 70. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) De vrederechter van het kanton van de woonplaats van de man en de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg kunnen deze inschrijvingen in naam van de vrouw ambtshalve vorderen. De man kan deze inschrijvingen altijd uit eigen hoofde nemen. Art. 71. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) De vrouw kan van de inschrijvingen, krachtens de voorgaande bepalingen genomen, niet rechtstreeks afstand doen ten voordele van haar man. Art. 72. (Opgeheven. - Overgangsbepaling) In het geval van de artikelen 66, 67, 69 en 70 kan de man vragen dat de hypotheek, die uit hoofde van de terugnemingen van de vrouw is ingeschreven, verminderd wordt tot de bedragen die de vrouw kan hebben te vorderen, en beperkt wordt tot de onroerende goederen die deze bedragen voldoende waarborgen. De rechtbank doet uitspraak zoals in summiere zaken, de procureur des Konings gehoord en op tegenspraak van deze, na het advies te hebben ingewonnen van de drie naaste bloedverwanten van de vrouw, en, bij ontstentenis van bloedverwanten binnen twee myriameter afstand, het advies van drie personen van wie bekend is dat zij met de vrouw of haar familie vriendschapsbetrekkingen onderhouden. AFDELING II. - Bedongen hypotheken. Art. 73. (2124). Bedongen hypotheken kunnen alleen worden toegestaan door hen die bekwaam zijn om de onroerende goederen welke zij daarmee bezwaren, te vervreemden. Art. 74. (2125). Zij die op een onroerend goed enkel een recht hebben dat opgeschort is door een voorwaarde, of in bepaalde gevallen kan worden ontbonden, of vatbaar is voor vernietiging, kunnen slechts een hypotheek toestaan die aan dezelfde voorwaarden of aan dezelfde vernietiging onderworpen is. Art. 75. (2126). Goederen van minderjarigen en van onbekwaamverklaarden kunnen niet anders met hypotheek bezwaard worden dan wegens de oorzaken en met inachtneming van de vormen die bij de wet bepaald zijn. Voor de hypotheek van de goederen van afwezigen, zolang het bezit daarvan slechts voorlopig is toegekend, gelden de vormen die voor minderjarigen en onbekwaamverklaarden zijn voorgeschreven. Art. 76. (2127). De bedongen hypotheek kan slechts worden toegestaan bij een authentieke akte of bij een in rechte of voor notaris erkende onderhandse akte. Volmachten tot het vestigen van hypotheek moeten in dezelfde vorm gegeven worden. Art. 77. (2128). Behalve wanneer in verdragen of in politieke wetten het tegendeel is bepaald, hebben in het buitenland toegestane hypotheken, ten aanzien van in België gelegen goederen, slechts gevolg, wanneer de akten waarin die hypotheken zijn bedongen, bekleed zijn met het visum van de voorzitter van de burgerlijke rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn. Deze magistraat is ermee belast na te gaan of de akten en de volmachten die erbij behoren, aan alle vereisten van authenticiteit voldoen, in het land waar zij zijn opgemaakt. (Opgeheven) Art. 78. (2129). De bedongen hypotheek is alleen dan geldig, indien hetzij de authentieke titel tot vestiging van de schuldvordering, hetzij een latere authentieke akte, een bijzondere opgave bevat van de aard en de ligging van ieder van de tegenwoordige onroerende goederen van de schuldenaar, waarop deze de hypotheek voor de schuldvordering toestaat. Hypotheek kan niet worden gevestigd op toekomstige goederen. Art. 79. (2131). Indien de met hypotheek bezwaarde onroerende goederen teniet zijn gegaan of beschadiging hebben geleden, zodat zij voor de zekerheid van de schuldeiser ontoereikend zijn geworden, is deze gerechtigd terugbetaling van zijn schuldvordering te eisen. De schuldenaar wordt echter toegelaten tot het aanbieden van een aanvullende hypotheek, indien het verlies of de beschadiging buiten zijn schuld heeft plaatsgehad. Art. 80. (2132). De bedongen hypotheek is slechts geldig voor zover het bedrag waarvoor zij is verleend, in de akte bepaald is. Indien de schuldvordering die uit de verbintenis voortvloeit, voorwaardelijk is, wordt de voorwaarde vermeld in de beschrijving waarvan hierna sprake is. (De hypotheek verleend tot zekerheid van een geopend krediet is geldig; haar rang wordt bepaald naar de dagtekening van haar inschrijving, ongeacht de tijdstippen waarop de door de kredietgever aangegane verbintenissen worden uitgevoerd, welke uitvoering door alle wettelijke middelen bewezen kan worden. De kredietgever behoudt tegenover derden het recht om over de hypotheek te beschikken, zelfs indien verbintenissen op het krediet toe te rekenen, vertegenwoordigd zijn door verhandelbare papieren. Nochtans kan de houder van deze papieren door een verzet de gevolgen schorsen van akten van opheffing of andere, die aan zijn recht nadeel zouden toebrengen. Het verzet moet betekend worden aan de hypotheekbewaarder en aan de kredietgever en het moet keuze van woonplaats binnen het arrondissement bevatten. Het verzet wordt door de bewaarder overgeschreven op de kant van de inschrijving, en van deze overschrijving wordt melding gemaakt onderaan op het origineel van het exploot. Het verzet heeft slechts gevolg gedurende twee jaren, indien het niet vernieuwd wordt; opheffing ervan kan bij een eenvoudig exploot verleend worden.) AFDELING III. _ Rang van de hypotheken onderling. Art. 81. (2134). Tussen de schuldeisers onderling neemt de hypotheek niet eerder rang dan van de dag der inschrijving in de registers van de bewaarder gedaan, in de vorm en op de wijze die de wet voorschrijft. Alle schuldeisers die op dezelfde dag zijn ingeschreven, hebben samenlopende hypotheken van dezelfde dagtekening, zonder onderscheid tussen de inschrijving van 's morgens en die van 's avonds, ook indien zodanig verschil door de bewaarder mocht zijn vermeld. HOOFDSTUK IV. _ Wijze van inschrijving van de voorrechten en hypotheken. Art. 82. (2146). De inschrijvingen geschieden op het kantoor van bewaring der hypotheken van het arrondissement waar de met voorrecht of hypotheek bezwaarde goederen zijn gelegen. De rechten van voorrecht of hypotheek die zijn verkregen maar niet ingeschreven vóór het overlijden van de schuldenaar, kunnen niet meer worden ingeschreven dan binnen drie maanden na het openvallen van de erfenis, onverminderd de bepalingen van artikel 112. Het gevolg van de inschrijvingen, genomen vóór de opening van een faillissement, wordt door de bijzondere wetten op het faillissement geregeld. Art. 83. (2148). Om de inschrijving te verkrijgen stelt de schuldeiser, hetzij in persoon, hetzij door een derde, aan de hypotheekbewaarder ter hand de authentieke uitgifte van de akte waaruit het voorrecht of de hypotheek ontstaat. Hij voegt daarbij twee op zegel gestelde borderellen, waarvan een op de uitgifte van de titel kan worden geschreven. Deze borderellen bevatten : 1° De naam, de voornamen, de woonplaats en het beroep van de schuldeiser; 2° De naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de schuldenaar of een zodanige persoonlijke en bijzondere aanwijzing dat de bewaarder in alle gevallen de met hypotheek bezwaarde persoon kan herkennen en onderscheiden; (3° De bijzondere aanduiding van de akten die de hypotheek of het voorrecht vestigen, bevestigen of erkennen en de dagtekening van die akten;) 4° Het bedrag van de hoofdsom en het toebehoren van de schuldvorderingen waarvoor inschrijving wordt gevorderd, en de tijd die voor hun betaling is bepaald; 5° De bijzondere aanduiding van de aard en de ligging van elk van de onroerende goederen waarop de inschrijver zijn voorrecht of zijn hypotheek wil bewaren; (De inschrijver is bovendien gehouden woonplaats te kiezen in enige plaats van het gebied der rechtbank van eerste aanleg waarbinnen de goederen zijn gelegen; en bij gebreke van keuze van woonplaats kunnen alle betekeningen en kennisgevingen betreffende de inschrijving gedaan worden aan de procureur des Konings.) De bewaarder doet in zijn register aantekening van de inhoud van de borderellen; hij geeft aan de verzoekers de uitgifte van de titel terug, alsook een van de borderellen, waarop hij onderaan bevestigt de inschrijving te hebben gedaan, met opgave van de dagtekening, het boekdeel en het volgnummer. Art. 84. Om de inschrijving of de vermelding door de artikelen 3 en 5 vereist, te verkrijgen, stellen de partijen, hetzij in persoon, hetzij door een derde, aan de bewaarder ter hand : 1° (Indien het een eis in recht betreft, twee uittreksels op zegel bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen en in voorkomend geval, die van de nieuwe eigenaar, met aanduiding van zijn titel; de vermelding van de rechten waarvan de vernietiging of de herroeping wordt verzocht, en van de rechtbank die van de eis kennis moet nemen); 2° Indien het een vonnis betreft, twee uittreksels op zegel door de griffier afgegeven, en bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen, het beschikkende gedeelte van de beslissing, alsook de vermelding van de rechtbank of het hof waardoor de beslissing is gewezen; 3° Indien het een overdracht betreft, de authentieke uitgifte van de akte en twee uittreksels op zegel, bevattende de door artikel 5 vereiste opgaven. (Voor de toepassing van artikel 577-12 van het Burgerlijk Wetboek, moeten aan de bewaarder worden voorgelegd : 1° door de notaris, indien het een notariële akte betreft, twee uittreksels op zegel, bevattende de datum van de akte houdende vaststelling van de ontbinding van de vereniging van medeëigenaars, de naam van de optredende notaris en diens standplaats, alsook de naam, voornamen, beroep en woonplaats van de partijen bij de akte bedoeld in artikel 577-4, § 1, van het Burgerlijk Wetboek; 2° door de eiser, indien het een rechtsvordering betreft, twee uittreksels op zegel, bevattende de naam, voornamen, beroep en woonplaats van de partijen, alsmede de rechtbank die kennis moet nemen van de vordering; 3° door de partijen of door een derde, indien het een rechterlijke beslissing betreft, twee uittreksels op zegel door de griffier afgegeven, bevattende de datum waarop de rechterlijke beslissing is genomen, het gerecht dat ze heeft genomen, de naam, voornamen, beroep en woonplaats van de partijen, het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing en een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat er geen rechtsmiddelen zijn aangewend.) (Om de inschrijvingen bedoeld in artikel 1493 van het Gerechtelijk Wetboek te verrichten, leggen de partijen aan de bewaarder voor : zo het gaat om een rechtsvordering, twee uittreksels op gezegeld papier, met vermelding van de naam, voornaam en woonplaats van de partijen, het in beslag genomen goed, de datum van het beslagexploot en de rechtbank die over de vordering uitspraak zal moeten doen; gaat het om een beslissing, twee uittreksels op gezegeld papier, afgeleverd door de griffier en bevattend de aanduiding van de naam, voornaam en woonplaats van de partijen, het beschikkend gedeelte van de beslissing en het gerecht dat ze geveld heeft alsmede een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de termijnen van verzet en hoger beroep verstreken zijn en geen van beide rechtsmiddelen tegen de beslissing werd aangewend.) De bewaarder geeft aan de verzoeker een van de uittreksels terug, waarop hij de verklaring aanbrengt dat de inschrijving of de vermelding gedaan is. Art. 85. Verzuim van een of meer van de formaliteiten, bij de twee vorige artikelen voorgeschreven, heeft alleen dan nietigheid van de inschrijving of van de vermelding ten gevolge, wanneer daaruit nadeel voor derden ontstaat. Art. 86. (2149). Inschrijvingen op de goederen van een overledene kunnen gedaan worden met aanwijzing van de overledene alleen. Art. 87. (2151). De bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser die ingeschreven is voor een kapitaal dat interesten of rentetermijnen opbrengt, heeft het recht om ten hoogste voor drie jaren in dezelfde rang te worden geplaatst als voor zijn kapitaal, onverminderd de bijzondere inschrijvingen, die voor andere interesten of rentetermijnen kunnen worden genomen en hypotheek medebrengen te rekenen van hun dagtekening. Art. 88. (2152). Het is aan degene in wiens voordeel een inschrijving bestaat of aan zijn vertegenwoordigers geoorloofd, in het register van de hypotheken de door hem gekozen woonplaats te veranderen, onder verplichting om een andere binnen hetzelfde arrondissement te kiezen en aan te wijzen. Te dien einde legt hij, hetzij in persoon, hetzij door een derde, op het kantoor der hypotheken een authentieke akte over, waaruit zijn wil dienaangaande blijkt, ofwel tekent hij op het register zelf van de hypotheken een verklaring, houdende verandering van woonplaats. In dit laatste geval wordt zijn identiteit, indien de bewaarder het eist, bevestigd door een notaris, die eveneens zijn handtekening onder de verklaring plaatst. Art. 89. (2153). De wettelijke hypotheek van de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen wordt ingeschreven tegen overlegging van twee borderellen, die bevatten : De naam, de voornamen, de hoedanigheid of de nauwkeurige aanwijzing van de schuldeiser en van de schuldenaar, hun werkelijke woonplaats, de woonplaats die door of voor de schuldeiser binnen het arrondissement zal worden gekozen, de aard van de te bewaren rechten en het bedrag van hun bepaalde of eventuele waarde; ten slotte de speciale aanduiding van de aard en van de ligging van elk van de onroerende goederen. Art. 90. (2154). De inschrijvingen houden de hypotheek en het voorrecht in stand gedurende (dertig jaar te rekenen van de dag der inschrijving); zij houden op van kracht te zijn indien de inschrijvingen niet zijn vernieuwd voor het verstrijken van die termijn. Is het bezwaarde onroerend goed op enigerlei wijze in andere handen overgegaan, dan moeten, voordat dertig jaren zijn verlopen sinds de overschrijving van de titel van verkrijging of het openvallen der erfenis, de inschrijvingen worden vernieuwd met vermelding van de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de nieuwe eigenaar, van zijn titel van eigendom of, in voorkomend geval, van de titel van erkenning van het voorrecht of van het hypotheekrecht. In geval van achtereenvolgende overgangen sluit de vernieuwing, gedaan met vermelding van de tweede of van een volgende verkrijger, voordat dertig jaren zijn verlopen sinds de eerste overdracht, de noodzakelijkheid uit van enige vernieuwing tegen de vroegere verkrijgers. Art. 90bis. De inschrijvingen, overeenkomstig de (§ 1) der eerste afdeling van hoofdstuk III, genomen ten behoeve van minderjarigen, van onbekwaamverklaarden, van in een krankzinnigengesticht geplaatste personen (...) houden op van kracht te zijn, indien zij niet worden vernieuwd voor het verstrijken van het jaar volgende op het eindigen van de voogdij of (van het voorlopig bewind) en, in elk geval, voor het verstrijken van het dertigste jaar te rekenen van de dag der inschrijving. De oorzaak van het verval wordt op de kant van de vervallen inschrijvingen vermeld, tegen overlegging, aan de bewaarder der hypotheken, van de akte of van het authentiek getuigschrift waaruit zulks blijkt; deze kanttekening geldt als doorhaling. Met uitzondering van de inschrijvingen genomen ten voordele van minderjarigen, worden de inschrijvingen zonder kanttekening betreffende de oorzaak van verval door de bewaarder van ambtswege vernieuwd in de loop van het dertigste jaar te rekenen van de dag der inschrijving. Art. 90ter. De inschrijving tot vernieuwing geldt enkel als eerste inschrijving, indien zij niet de nauwkeurige aanwijzing van de vernieuwde inschrijving bevat, maar het is niet nodig de vorige inschrijvingen daarin te vermelden. De bepaling van artikel 85 is hierop toepasselijk. Art. 91. (2155). De kosten van de inschrijvingen en van hun vernieuwing komen ten laste van de schuldenaar, tenzij het tegendeel bedongen is; zij worden door de inschrijver voorgeschoten behalve wat betreft de wettelijke hypotheken; voor de inschrijving hiervan heeft de bewaarder zijn verhaal op de schuldenaar. De kosten van de overschrijving komen ten laste van de verkrijger. HOOFDSTUK V. _ Doorhaling en vermindering van de inschrijvingen. Art. 92. (2157). (De inschrijvingen worden doorgehaald of verminderd krachtens de toestemming van de belanghebbende partijen, daartoe bevoegd, ofwel krachtens een vonnis in laatste aanleg gewezen of in kracht van gewijsde gegaan, ofwel krachtens een vonnis, uitvoerbaar verklaard niettegenstaande verzet of beroep.) De overnemer van een hypothecaire schuldvordering kan geen doorhaling of vermindering toestaan, tenzij de overdracht voortvloeit uit akten als vermeld in artikel 2. De last tot doorhaling of vermindering moet uitdrukkelijk en in authentieke vorm gegeven worden. Art. 93. (2158). Zij die doorhaling of vermindering vorderen, leggen op het kantoor van de bewaarder over, hetzij de uitgifte der authentieke akte of de akte in brevet, houdende toestemming, hetzij de uitgifte van het vonnis. Een woordelijk uittreksel uit de authentieke akte is voldoende, wanneer de notaris die het heeft afgegeven, daarin verklaart dat de akte noch voorwaarde, noch voorbehoud bevat. De akten van toestemming tot doorhaling of vermindering, in het buitenland verleden, zijn in België niet uitvoerbaar, dan nadat zij zijn geviseerd door de voorzitter van de rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn, die de authenticiteit ervan nagaat, zoals in artikel 77 bepaald is. Art. 94. (2159). De eis tot doorhaling of vermindering, als hoofdvordering ingesteld, wordt (...) gebracht voor de rechtbank van de plaats waar de inschrijving gedaan is. De overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar aangegaan om in geval van geschil de eis voor een door hen bepaalde rechtbank te brengen, zal echter tussen hen worden nagekomen. De rechtsvorderingen tegen de schuldeisers, waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, worden ingesteld door dagvaarding aan hun persoon, of aan de laatste in het register vermelde gekozen woonplaats; en zulks niettegenstaande het overlijden, hetzij van de schuldeisers, hetzij van hen bij wie zij woonplaats hebben gekozen. Art. 95. (2160). De rechtbanken moeten de doorhaling bevelen, wanneer de inschrijving gedaan is zonder gegrond te zijn op de wet of op een titel, of wanneer zij geschied is krachtens een titel die hetzij onregelmatig, hetzij vervallen of gekweten was, of wanneer de rechten van voorrecht of hypotheek op wettelijke wijze zijn teniet gegaan. HOOFDSTUK VI. _ Gevolgen van de voorrechten en hypotheken tegen derden-bezitters. Art. 96. (2166). De schuldeisers die een ingeschreven voorrecht of hypotheek hebben op een onroerend goed, volgen dat goed, in welke handen het ook overgaat, om gerangschikt en betaald te worden volgens de orde van hun schuldvorderingen of inschrijvingen. Art. 97. (2167). Indien de derde-bezitter de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, blijft hij, uit kracht van de inschrijvingen alleen, als bezitter verbonden voor alle hypothecaire schulden; elke tijdsbepaling en elk uitstel van betaling, aan de oorspronkelijke schuldenaar verleend, komen hem ten goede. Art. 98. (2168). De derde-bezitter is in dit geval verplicht van het met hypotheek bezwaarde onroerend goed zonder voorbehoud afstand te doen, ofwel alle opeisbare interesten en kapitalen te voldoen, hoe groot het bedrag daarvan ook mag zijn. Art. 99. (2169). Voldoet de derde-bezitter niet geheel aan een van deze verplichtingen, dan heeft ieder hypothecair schuldeiser het recht om het met hypotheek bezwaarde goed tegen hem te doen verkopen, dertig dagen na bevel te hebben gedaan aan de oorspronkelijke schuldenaar, en na aanmaning aan de derde-bezitter om de opeisbare schuld te betalen of van het erf afstand te doen. (In de aanmaning wordt de mogelijkheid van de derde-bezitter vermeld om, op straffe van onontvankelijkheid, binnen de acht dagen die volgen op de betekening van het op hem verrichte beslag, aan de rechter ieder koopaanbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.) Art. 100. (2172). Afstand wegens hypotheek kan gedaan worden door alle derden-bezitters die niet persoonlijk verbonden zijn voor de schuld en die bekwaam zijn om te vervreemden. Art. 101. (2173). Hij kan gedaan worden, zelfs nadat de derde-bezitter, uitsluitend in deze hoedanigheid, de verbintenis erkend heeft of veroordeeld is. De afstand belet niet dat de derde-bezitter, tot aan de toewijzing, het onroerend goed kan terugnemen tegen betaling van de gehele schuld en van de kosten. Art. 102. (2174). Afstand wegens hypotheek wordt gedaan op de griffie van de rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn, en deze rechtbank verleent daarvan akte. Op verzoek van de meest gerede onder de belanghebbenden, wordt een curator over het afgestane onroerend goed aangesteld, tegen wie de verkoping van het goed vervolgd wordt overeenkomstig de vormen voorgeschreven voor de uitwinning. Art. 103. (2175). Beschadigingen door het toedoen of de nalatigheid van de derde-bezitter veroorzaakt, ten nadele van de hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, leveren grond op voor een eis tot schadevergoeding tegen hem; maar uitgaven en verbeteringen door hem gedaan kan hij slechts terugvorderen ten belope van de meerwaarde die uit de verbetering is ontstaan. Art. 104. (2176). De vruchten van het met hypotheek bezwaarde onroerend goed zijn door de derde-bezitter eerst verschuldigd te rekenen van de dag van de aanmaning tot afstand of tot betaling; en, indien de begonnen vervolgingen gedurende drie jaren zijn gestaakt, te rekenen van de nieuwe aanmaning die gedaan zal worden. Art. 105. (2177). De erfdienstbaarheden en zakelijke rechten, die de derde-bezitter had op het onroerend goed vooraleer dit in zijn bezit was, herleven na de afstand of na de tegen hem gedane toewijzing. Zijn persoonlijke schuldeisers oefenen hun hypotheek uit op het afgestane of toegewezen goed, volgens hun rang, na al degenen die tegen de vorige eigenaars een inschrijving hadden. Art. 106. (2178). De derde-bezitter die de hypothecaire schuld betaald heeft, of die van het met hypotheek bezwaarde onroerend goed heeft afstand gedaan, of die de uitwinning van dat goed heeft ondergaan, heeft zijn verhaal, als naar recht, op de hoofdschuldenaar. Art. 107. (2179). De derde-bezitter die zijn eigendom wil zuiveren door betaling van de prijs, moet de vormen in acht nemen die in hoofdstuk VIII hierna zijn voorgeschreven. HOOFDSTUK VII. _ Tenietgaan van de voorrechten en hypotheken. Art. 108. (2180). De voorrechten en hypotheken gaan teniet : 1° Door het tenietgaan van de hoofdverbintenis; 2° Door de afstand van het voorrecht of van de hypotheek door de schuldeiser; 3° Uit kracht van de rechterlijke beslissingen, in de gevallen bepaald in §§ 1 en 2 van afdeling I van hoofdstuk III; 4° Door de vervulling van de vormen en voorwaarden, die aan de derden-bezitters zijn voorgeschreven om de door hen verkregen goederen te zuiveren; 5° Door verjaring; Voor de schuldenaar is er, ten opzichte van de goederen die zich in zijn handen bevinden, verjaring na verloop van de tijd, bepaald voor de verjaring van de vorderingen, tot zekerheid waarvan de hypotheek of het voorrecht is verleend. Voor de derde-bezitter is er eerst verjaring na verloop van de tijd die voor de langste verjaring van de onroerende rechten vereist is. Inschrijvingen, door de schuldeiser genomen, stuiten de loop niet van de verjaring die door de wet ten behoeve van de schuldenaar of van de derde-bezitter is vastgesteld, maar de laatstgenoemde kan genoodzaakt worden op zijn kosten een titel van erkenning van de hypotheek te verschaffen, vanaf het ogenblik dat zijn verkrijging is overgeschreven. De derde-bezitter is gehouden de titel te vernieuwen, achtentwintig jaren na de dagtekening ervan indien hij het met hypotheek bezwaarde goed alsdan nog bezit; 6° Door de oorzaak vermeld in § 2 van artikel 82. HOOFDSTUK VIII. _ Wijze waarop eigendommen van de voorrechten en hypotheken worden gezuiverd. Art. 109. (2182). De overdrager draagt aan de verkrijger slechts de eigendom en de rechten over die hij zelf op het overgedragene bezat; hij draagt die over onder verband van dezelfde voorrechten en hypotheken als waarmede hij bezwaard was. Art. 110. (2183). De nieuwe eigenaar die zich wil beveiligen tegen de gevolgen van de vervolgingen die op grond van hoofdstuk VI hiervoren kunnen worden ingesteld is gehouden hetzij vóór de vervolgingen, hetzij uiterlijk binnen dertig dagen te rekenen van de eerste hem gedane aanmaning, aan de schuldeisers, ter woonplaats door hen bij de inschrijvingen gekozen, te betekenen : 1° De dagtekening van zijn titel, indien deze authentiek is, of die van de notariële akte of van het vonnis, houdende erkenning van de onderhandse akte; de naam en de standplaats van de notaris voor wie de akte is verleden, ofwel de rechtbank die het vonnis heeft gewezen; de aanwijzing van de partijen; de nauwkeurige aanduiding van de onroerende goederen; de prijs en de lasten die van de koopprijs deel uitmaken; de waardering van deze lasten en die van de prijs zelf, indien deze bestaat in een lijfrente of in enige andere verbintenis dan het betalen van een bepaald kapitaal, en ten slotte, de waardering van de zaak, indien deze geschonken is of overgedragen onder enige andere titel dan die van verkoop; 2° De opgave van de dagtekening, het boekdeel en het nummer van de overschrijving; 3° Een tabel in drie kolommen, waarvan de eerste bevat de dagtekening van de hypotheken en die van de inschrijvingen, alsook de opgave van het boekdeel en het nummer van die inschrijvingen; de tweede, de naam van de schuldeisers; en de derde, het bedrag van de ingeschreven schuldvorderingen. Art. 111. De nieuwe eigenaar kan van het recht, hem bij het vorige artikel verleend, slechts gebruik maken onder voorwaarde dat hij de voorgeschreven kennisgeving doet binnen een jaar te rekenen van de overschrijving van de titel van verkrijging. Art. 112. De in de vorige artikelen vermelde kennisgeving moet alleen gedaan worden aan de schuldeisers die vóór de overschrijving van de akte van verkrijging ingeschreven waren. Elke inschrijving, die na die overschrijving genomen wordt tegen de vorige eigenaars, blijft zonder werking. Art. 113. De nieuwe eigenaar verklaart bij dezelfde akte, dat hij de hypothecaire schulden en lasten zal voldoen ten belope van de prijs of van de opgegeven waarde, zonder enige aftrek ten voordele van de verkoper of van wie ook. Behoudens beding van het tegendeel in de titels van de schuldvorderingen, zal hij het genot hebben van elke tijdsbepaling en van elk uitstel van betaling, aan de oorspronkelijke schuldenaar verleend, en hij zal die welke tegen de laatstgenoemde waren bedongen, in acht nemen. De niet vervallen schuldvorderingen die slechts voor een gedeelte batig zijn gerangschikt, zijn onmiddellijk opeisbaar, ten belope van dit gedeelte ten aanzien van de nieuwe eigenaar, en voor het geheel ten aanzien van de schuldenaar. Art. 114. Indien zich onder de schuldeisers een verkoper bevindt, die bevoorrecht is en die tevens een rechtsvordering tot ontbinding bezit, zal hij, te rekenen van de hem gedane kennisgeving, veertig dagen tijd hebben om tussen de twee rechten een keuze te doen, op straffe van verval van zijn rechtsvordering tot ontbinding, zodat hij alleen nog zijn voorrecht kan opeisen. Indien hij de ontbinding van het contract verkiest, zal hij zulks op straffe van verval moeten verklaren op de griffie van de rechtbank, voor welke de rangregeling moet worden vervolgd. De verklaring zal binnen de hierboven bepaalde tijd worden gedaan, en binnen tien dagen worden gevolgd door het instellen van de eis tot ontbinding. Te rekenen van de dag waarop de verkoper de rechtsvordering tot ontbinding verkozen heeft, is de zuivering geschorst en zij kan pas worden hervat nadat de verkoper afstand heeft gedaan van de rechtsvordering tot ontbinding, of nadat deze vordering is afgewezen. De voorafgaande bepalingen zijn van toepassing op de ruiler en op de schenker. Art. 115. (2185). Wanneer de nieuwe eigenaar de bovenvermelde kennisgeving binnen de bepaalde tijd gedaan heeft, kan ieder schuldeiser wiens titel is ingeschreven, vorderen dat het onroerend goed in openbare veiling verkocht wordt, onder voorwaarde : 1° Dat deze vordering door een (deurwaarder) aan de nieuwe eigenaar wordt betekend, uiterlijk binnen veertig dagen na de kennisgeving gedaan ten verzoeke van de laatstgenoemde, (met toevoeging van een dag per vijf myriameter afstand tussen de gekozen woonplaats en de werkelijke woonplaats van de schuldeiser die het verste af woont van de rechtbank die van de rangregeling moet kennis nemen;) 2° Dat zij een bod bevat waarbij de verzoeker of een door hem aangewezen persoon de prijs verhoogt met een twintigste boven de prijs die in het contract was bedongen of door de nieuwe eigenaar was opgegeven. Dit bod slaat op de hoofdprijs en de lasten, zonder enige aftrek ten nadele van de ingeschreven schuldeisers. de kosten van het eerste contract hoeven niet in aanmerking te komen; 3° Dat dezelfde betekening binnen dezelfde termijn gedaan wordt aan de vorige eigenaar en aan de hoofdschuldenaar; 4° Dat het origineel en de afschriften van deze exploten worden ondertekend door de verzoekende schuldeiser of door zijn gemachtigde, voorzien van een uitdrukkelijke volmacht, die in dit geval verplicht is afschrift van zijn volmacht te geven. Zij moeten in voorkomend geval ook ondertekend worden door de derde-bieder; 5° Dat de verzoeker aanbiedt persoonlijke of hypothecaire borg te stellen ten belope van vijfentwintig t.h. van de prijs en van de lasten, ofwel, wanneer hij een gelijk bedrag in consignatie gegeven heeft, dat hij afschrift betekent van het bewijs van consignatie. Alles op straffe van nietigheid. Art. 116. (2186). Indien de schuldeisers de veiling niet hebben gevorderd in de voorgeschreven vorm en binnen de gestelde tijd, blijft de waarde van het onroerend goed onherroepelijk bepaald op de prijs die in het contract was bedongen of door de nieuwe eigenaar was opgegeven. De inschrijvingen die niet in batige rang komen ten opzichte van de prijs, worden doorgehaald voor het gedeelte dat de prijs te boven gaat, ingevolge de minnelijke of gerechtelijke rangregeling, opgemaakt overeenkomstig de wetten op de rechtspleging. De nieuwe eigenaar bevrijdt zich van de voorrechten en hypotheken, hetzij door aan de batig gerangschikte schuldeisers het bedrag te betalen van de opeisbare schuldvorderingen of van de schuldvorderingen die hij vrij is te voldoen, hetzij door de prijs ten belope van de schuldvorderingen in consignatie te geven. Hij blijft onderworpen aan de batig gerangschikte voorrechten en hypotheken, voor de niet opeisbare schuldvorderingen waarvan hij zich niet zou willen of kunnen bevrijden. Art. 117. (2187). In geval van herverkoop ten gevolge van hoger bod, geschiedt die herverkoop met inachtneming van de vormen die door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn bepaald. Art. 118. (2188). Hij aan wie het goed wordt toegewezen, is gehouden de toewijzingsprijs te voldoen en bovendien de verkrijger of de begiftigde; die het bezit verloren heeft, te vergoeden voor de wettig gemaakte kosten van zijn contract, voor die van de overschrijving op de registers van de bewaarder, voor die van de kennisgeving en voor die welke door hem zijn gemaakt om de herverkoop te bekomen. Art. 119. (2189). De verkrijger of de begiftigde, die het geveilde onroerend goed als laatste bieder behoudt, is niet verplicht het vonnis van toewijzing te doen overschrijven. Art. 120. (2190). De schuldeiser die de veiling heeft gevorderd en van zijn vordering afstand doet, kan, zelfs indien hij het bedrag van het bod betaalt, de openbare veiling niet beletten, tenzij al de overige hypothecaire schuldeisers daarin uitdrukkelijk toestemmen, of tenzij dezen, na door een deurwaarder te zijn aangemaand om binnen vijftien dagen de veiling te vervolgen, aan die aanmaning geen gevolg geven. In dit geval behoort het bedrag van het bod aan de schuldeisers, volgens de rang van hun schuldvorderingen. Art. 121. (2191). De verkrijger aan wie het goed wordt toegewezen, kan het bedrag dat de bij zijn titel bedongen prijs te boven gaat, en de interest van dat bedrag te rekenen van de dag van elke betaling, op de verkoper verhalen als naar recht. Art. 122. (2192). Ingeval de titel van de nieuwe eigenaar onroerende en roerende goederen omvat, of verscheidene onroerende goederen, de ene met hypotheek bezwaard en de andere niet, ongeacht of zij gelegen zijn in een zelfde dan wel in verschillende arrondissementen, vervreemd zijn tegen een en dezelfde prijs dan wel tegen verschillende en afzonderlijke prijzen, al dan niet behoren tot een zelfde bedrijf, dan zal, indien daartoe reden bestaat, de prijs van ieder onroerend goed waarop bijzondere en afzonderlijke inschrijvingen zijn genomen, in de kennisgeving van de nieuwe eigenaar worden opgegeven bij vergelijkende waardering naar evenredigheid van de totale in de titel vermelde prijs. De schuldeiser die een bod doet tot verhoging van de prijs, kan in geen geval verplicht worden in zijn bod te begrijpen hetzij roerende goederen, hetzij andere onroerende goederen dan die welke voor zijn schuldvordering met hypotheek bezwaard zijn en in hetzelfde arrondissement zijn gelegen; behoudens het verhaal van de nieuwe eigenaar op zijn rechtsvoorgangers, tot vergoeding van de schade die hij mocht lijden door de verdeling van door hem verkregen goederen of door de splitsing van bedrijven. HOOFDSTUK IX. _ Openbaarheid van de registers en verantwoordelijkheid van de bewaarders. Art. 123. Wanneer verscheidene openbaar te maken titels dezelfde dag op het kantoor van bewaring der hypotheken zijn aangeboden, wordt de voorrang bepaald naar de dagtekening van die titels. Voor de titels die dezelfde datum dragen, wordt de voorrang bepaald naar het volgnummer waaronder de overhandiging van de titels vermeld wordt in het register voorgeschreven bij artikel 124, 1°. Het eerste lid is niet van toepassing op de schuldeisers bedoeld in artikel 81, tweede lid. Art. 124. De bewaarders moeten de volgende registers houden : 1° Een register van de neergelegde titels, waarin de overhandigingen van de titels waarvan men de inschrijving of de overschrijving vordert, worden aangetekend onder een volgnummer en naarmate zij geschieden; 2° Registers waarin de overschrijvingen worden opgenomen; 3° Registers waarin de inschrijvingen van de voorrechten en hypotheken en de doorhalingen of verminderingen worden opgenomen. Art. 125. De bewaarders houden bovendien een register (...); daarin vermelden zij bij uittreksel en naarmate de overhandiging van de akten geschiedt, onder de namen van ieder bezwaarde eigenaar, en in een voor hem bestemd vak, de inschrijvingen, doorhalingen en andere akten die hem aangaan. Zij wijzen ook de registers aan waarin elke akte is opgenomen, en het nummer waaronder zij is ingeschreven. Art. 126. (2200). De bewaarders geven aan de verzoeker desverlangd een ontvangbewijs (...) van de overhandiging der akten of borderellen die bestemd zijn om overgeschreven of ingeschreven te worden. Dit ontvangbewijs vermeldt het registernummer waaronder de overhandiging is ingeschreven. Zij mogen de overschrijvingen en inschrijvingen in de daartoe bestemde registers niet doen dan onder de dagtekening en in de volgorde van de hun daarvan gedane overhandigingen. Art. 127. (2196). De hypotheekbewaarders zijn gehouden getuigschriften af te geven, waarbij worden vastgesteld de overgangen en de toekenningen van zakelijke rechten, alsook de huurcontracten, toegestaan door alle personen, aangewezen in de schriftelijke vorderingen welke hun te dien einde worden gedaan. Zij zijn eveneens gehouden aan ieder die erom verzoekt, afschrift te geven van de bestaande inschrijvingen of overschrijvingen, ofwel getuigschriften waarbij wordt vastgesteld dat er geen bestaan. (Ongeacht de dagtekening van de akte en van de overschrijving ervan, zijn zij gehouden de akte bedoeld in artikel 577-4, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, en de wijzigingen ervan, in het getuigschrift te vermelden.) Art. 128. (2197). Zij zijn aansprakelijk voor de schade die ontstaat : 1° Uit het verzuimen, in hun registers, van overschrijvingen van akten die aan deze formaliteit zijn onderworpen, en van inschrijvingen die op hun kantoor zijn gevorderd; 2° Uit het niet vermelden, in hun getuigschriften, van een of meer van de bestaande overschrijvingen of inschrijvingen, tenzij de vergissing voortkomt uit de ontoereikendheid van aanduidingen, die hun niet ten laste kan worden gelegd. Art. 129. (2198). In geval van zuivering blijft het onroerend goed, ten opzichte waarvan de bewaarder in zijn getuigschriften een of meer ingeschreven rechten van hypotheek onvermeld mocht hebben gelaten, hiervan ontheven in de handen van de nieuwe bezitter, mits de aanvraag van het getuigschrift duidelijk de schuldenaar aanwijst ten laste van wie de inschrijvingen zijn genomen. Deze bepaling doet echter geen afbreuk aan het recht van de niet vermelde schuldeisers om te bekwamer tijd de veiling te vorderen en om zich te doen plaatsen in de rang die hun toekomt, zolang de prijs door de verkrijger niet is bers geopende rangregeling niet is gesloten. Art. 130. (2199). In geen geval mogen de bewaarders de overschrijvingen of inschrijvingen, of de afgifte van getuigschriften weigeren of vertragen, op straffe van schadevergoeding aan de partijen; te dien einde worden, op aanvraag van de verzoekers, dadelijk processen-verbaal van de weigeringen of vertragingen opgemaakt, hetzij door een vrederechter, hetzij door een (gerechtsdeurwaarder) of een notaris. Art. 131. (2201). Alle registers van de bewaarders, uitgezonderd het in artikel 125 vermelde, worden (...) genummerd en geparafeerd op elk blad, met vermelding van eerste en laatste, door (een van de rechters van de rechtbank in wier gebied het kantoor gevestigd is.) Het register van de neergelegde titels wordt dagelijks afgesloten, zoals de registratieregisters. Art. 132. (2202). De hypotheekbewaarders zijn gehouden zich in de uitoefening van hun ambt naar alle bepalingen van dit hoofdstuk te gedragen, op straffe van geldboete van vijftig frank tot duizend frank voor de eerste overtreding. In geval van herhaling is de geldboete dubbel en kan zelfs, indien de omstandigheden het medebrengen, afzetting worden uitgesproken, een en ander onverminderd schadevergoeding aan de partijen, welke vergoeding vóór de geldboete zal worden betaald. Art. 133. (2203). De vermeldingen van neerleggingen, de inschrijvingen en de overschrijvingen worden achter elkaar in de registers gedaan, zonder enig wit vak of enige tussenregel, op straffe, ten laste van de bewaarder, van geldboete van vijfhonderd frank tot tweeduizend frank en van schadevergoeding aan de partijen, welke vergoeding eveneens vóór de geldboete zal worden betaald. Art. 134. De bewaarder kan de vergissingen die hij mocht hebben begaan, op zijn kosten herstellen, door in zijn registers een overschrijving van de akten en borderellen te doen, maar alleen op de lopende dag, en voorafgegaan door een nota waarin de eerste overschrijving vermeld wordt. HOOFDSTUK X. _ Wijze van houden en bewaren van de hypothecaire bescheiden. Art. 135. In het register van de neergelegde titels, waarvan het houden is voorgeschreven bij artikel 124, 1°, worden ingeschreven : 1° in de volgorde van hun afgifte aan de hypotheekbewaarder, alle akten, vonnissen, borderellen en enig ander stuk aangeboden om overgeschreven, ingeschreven of eenvoudig vermeld te worden op de kant van de registers die worden gehouden ter uitvoering van artikel 124, 2° en 3°. 2° de akten en vonnissen waarbij een gehele of gedeeltelijke opheffing wordt verleend of bevolen en die worden aangeboden met het oog op doorhaling of vermindering. Art. 136. Van de inschrijvingen in het register van de neergelegde titels wordt onverwijld, zo niet na afsluiting van het register zonder verplaatsing een kopie gemaakt door de hypotheekbewaarder of door de daartoe door de directeur-generaal van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen gedelegeerde ambtenaar. Art. 137. De openbare en andere ambtenaren maken een echt verklaarde kopie van iedere akte die in brevet of origineel wordt aangeboden met het oog op doorhaling, vermindering of kantmelding. De kopie wordt overhandigd aan de hypotheekbewaarder terzelfder tijd als de akte. Ze heeft dezelfde bewijskracht als deze akte in geval van verlies of vernieling van deze laatste. Art. 138. De Minister van Financiën bepaalt de vorm van de kopieën bedoeld in de artikelen 136 en 137. De kopieën worden neergelegd op een plaats, binnen de termijn en volgens de regels bepaald door de Minister van Financiën. Hoofdstuk XI. - Vermelding van de partijen en van de onroerende goederen. Art. 139. § 1. In iedere akte of ieder stuk waarvan de openbaar- making in een hypotheekkantoor vereist is, wordt ieder natuurlijke persoon op wiens naam de openbaarmaking moet geschieden vermeld met zijn naam, gevolgd door zijn voornamen, plaats en datum van geboorte, en zijn woonplaats. Indien de akte authentiek is of in geval van inschrijving van een wettelijke hypotheek waarmerkt de instrumenterende ambtenaar of de persoon die de inschrijving kan vorderen, de naam, de voornamen en de plaats en datum van geboorte hetzij in de tekst, hetzij onderaan de akte of het stuk. Die waarmerking geschiedt op grond van de gegevens vervat in de registers van de burgerlijke stand, het trouwboekje of het rijksregister van de natuurlijke personen, voor zover in laatstgenoemd geval de authentieke akte of het stuk, met de uitdrukkelijke instemming van de partijen, het identificatienummer in dat register vermeldt. De expedities en uittreksels aangeboden aan de hypotheekbewaarder geven de inhoud van de waarmerking weer. In de andere gevallen wordt een uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand gevoegd bij de akte of het stuk. § 2. Indien de persoon op wiens naam de openbaarmaking moet geschieden, niet bekend is in de registers van de burgerlijke stand noch in het rijksregister, bepaalt de openbare ambtenaar, de andere ambtenaar of de aanvrager, naargelang van het geval, in de bovengenoemde waarmerking of onderaan de akte of het stuk, het identiteitsbewijs op grond waarvan de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de betrokkene zijn vastgesteld. Bij gebrek aan de identificatiestukken bedoeld in de voorgaande leden, kunnen deze laatste worden vervangen door een akte van bekendheid opgesteld door een Belgisch notaris. § 3. Voor de openbaar te maken vonnissen wordt de identificatie van de personen gewaarmerkt door een notaris, door de ambtenaar of door de optredende overheid, onderaan de expeditie, op de wijze voorgeschreven bij dit artikel. § 4. De familienaam moet eerst vermeld worden en wordt in hoofdletters geschreven; de voornamen worden in kleine letters geschreven en worden vermeld in de volgorde waarin zij voorkomen in het stuk op grond waarvan de identificatie is geschied. § 5. De Koning kan de in dit artikel genoemde identificatieregels aanvullen. Art. 140. In iedere akte of ieder stuk waarvan de openbaarmaking in een hypotheekkantoor vereist is, moet iedere vennootschap, vereniging of andere privaatrechtelijke rechtspersoon op wiens naam de openbaarmaking moet geschieden vermeld worden met de benaming, rechtsvorm, datum van de oprichtingsakte en de zetel van de vennootschap of de statutaire zetel, alsook met het BTWidentificatienummer indien deze vennootschap, vereniging of rechtspersoon belastingplichtig is. De Koning kan de in dit artikel genoemde identificatieregels aanvullen. Art. 141. De vermelding van de onroerende goederen waarvoor een openbaar te maken akte of stuk is opgemaakt, bevat de volgende gegevens : geografische ligging (gemeente, straat of gehucht, politienummer), kadastrale beschrijving, zoals blijkt uit een uittreksel, minder dan een jaar oud, uit de kadastrale legger, aard en oppervlakte. Indien sedert de overschrijving van de laatste titel de gegevens betreffende de geografische ligging en de kadastrale beschrijving gewijzigd zijn, moeten die gegevens zoals ze blijken uit die titel eveneens worden vermeld. Betreft het verdiepingen of gedeelten van verdiepingen van een onroerend goed bedoeld in artikel 577bis, § 11, van het Burgerlijk Wetboek, dan moet de vermelding tevens conform de gegevens zijn van de overgeschreven basisakte en van de overgeschreven akten die de basisakte hebben gewijzigd. In de akte of het stuk waarvan de openbaarmaking vereist is, wordt de eigendomstitel van de desbetreffende onroerende goederen vermeld en de laatst overgeschreven titel indien hij minder dan dertig jaar oud is. De Koning kan de in dit artikel genoemde identificatieregels aanvullen. Art. 142. De Koning bepaalt de wijze waarop in elke aanvraag om een getuigschrift, de natuurlijke en de rechtspersonen uit hoofde van wie inlichtingen worden gevraagd en de betrokken onroerende goederen, moeten worden vermeld. Art. 143. De hypotheekbewaarder mag weigeren het geheel van de formaliteit waarvan de openbaarmaking gevraagd is te vervullen of het gevraagde getuigschrift af te geven indien niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 139 tot 142. Hoofdstuk XII. _ Materiële vormen van de formaliteiten van openbaarmaking en van de aanvragen. Art. 144. De Koning kan : 1° de vereisten vaststellen waaraan de stukken bestemd voor hypothecaire openbaarmaking moeten voldoen, alsook de materiële vormen ervan; Hij kan inzonderheid het gebruik voorschrijven van formulieren waarvan het model bepaald wordt door de Minister van Financiën; 2° de materiële vormen en de inhoud bepalen van iedere aanvraag om een kopie, uittreksel of getuigschrift; Hij kan het gebruik voorschrijven van formulieren waarvan het model bepaald wordt door de Minister van Financiën; 3° de vormvoorwaarden bepalen van de getuigschriften afgeleverd door de hypotheekbewaarders; 4° het houden van de registers bedoeld in de artikelen 124 en 125 regelen alsook de materiële vormen ervan bepalen.

.

Belgium