Hypotheekwet : Hoofdstuk II - Voorrechten

 Afdeling III. Voorrechten op onroerende goederen


  Art. 27. (2103). De schuldeisers, op onroerende goederen bevoorrecht, zijn :
  1° De verkoper, op het verkochte onroerend goed, voor de betaling van de prijs;
  2° De ruilers, op de wederkerig geruilde onroerende goederen, voor de betaling van de opleg en de vergoeding van de overwaarde, en ook voor de vaste som die bij de akte mocht zijn bepaald als schadeloosstelling van het geval van uitwinning;
  3° De schenker, op het geschonken onroerend goed, voor de geldelijke lasten of andere begrote prestaties die aan de begiftigde zijn opgelegd;
  4° De medeërfgenamen of deelgenoten, en wel :
  Voor de betaling van de opleg of de vergoeding van de overwaarde, op al de onroerende goederen begrepen in de kavel die met opleg bezwaard is, tenzij het voorrecht door de akte van verdeling tot een of meer van die onroerende goederen is beperkt;
  Voor de betaling van de prijs der veiling, op het geveilde goed;
  Voor de bij artikel 884 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde vrijwaring, op al de onroerende goederen die begrepen zijn in de kavel van de garanten, tenzij de akte van verdeling het voorrecht beperkt tot een deel van die onroerende goederen. Dit voorrecht bestaat slechts voor zover in de akte van verdeling een vaste som voor het geval van uitwinning bedongen is;
  5° (De aannemers, architecten, metselaars en andere werklieden, die gebezigd worden voor het ontginnen van land of het droogleggen van moerassen, voor het bouwen, herbouwen of herstellen van gebouwen, kanalen of welke andere werken ook, mits echter door een deskundige, op verzoekschrift benoemd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn, vooraf een proces-verbaal is opgemaakt, de ingeschreven schuldeisers behoorlijk opgeroepen zijnde, ten einde de gesteldheid van de plaats te bepalen, met betrekking tot de werken die de eigenaar verklaart te willen uitvoeren, en mits de werken, ten laatste binnen zes maanden na hun voltooiing, door een eveneens op verzoekschrift benoemde deskundige zijn in ontvangst genomen.
  Het bedrag van het voorrecht mag echter de waarde die door het tweede proces-verbaal is vastgesteld, niet overschrijden, en blijft beperkt tot de meerwaarde die ten tijde van de vervreemding van het onroerende goed bestaat en uit de daaraan verrichte werken voortkomt.) <W 10-10-1967, art. 3-22>
  6° (De Staat, op de gezond te maken steenkolenvestigingen, ten belope van de onkosten door hem uitbetaald bij gelegenheid van de saneringswerken, uitgevoerd overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 betreffende de gezondmaking van de steenkolenvestigingen die aan hun eerste bestemming zijn onttrokken.) <KBN 2, 18-04-1967, art. 12>

  Art. 28. De rechtsvordering van artikel 1654 van het Burgerlijk Wetboek tot ontbinding van de koop, en de rechtsvordering van artikel 1705 tot terugvordering van de geruilde zaak, kunnen niet worden ingesteld ten nadele van de ingeschreven schuldeiser, noch ten nadele van de onderverkrijger, noch ten nadele van derden, verkrijgers van zakelijke rechten, nadat het voorrecht bij het vorige artikel verleend, is teniet gegaan of vervallen.
  Dezelfde regel geldt voor de rechtsvordering tot herroeping, gegrond op niet-nakoming van voorwaarden die door het voorrecht mochten zijn gewaarborgd.
  Ingeval de verkoper, de ruiler of de schenker de rechtsvordering tot ontbinding instelt, kunnen derden de gevolgen daarvan altijd tegenhouden, mits zij aan de eiser het kapitaal uitkeren, samen met het toebehoren dat, overeenkomstig artikel 87 van deze wet, door de inschrijving van het voorrecht is bewaard.
  De sommen, tot terugbetaling waarvan de verkoper of de ruiler mocht worden veroordeeld ingevolge de rechtsvordering tot ontbinding of tot terugvordering, worden aangewend tot voldoening van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, die deze eigenschap ten gevolge van een van die rechtsvorderingen zouden verliezen, en wel volgens de rang van die schuldvorderingen op het ogenblik van de ontbinding van de koop of van de ruil.