De Belgische notariswet: Titel II. - Organisatie van het notarisambt

Afdeling II. - Vereisten om tot notaris benoemd te worden en wijze van benoeming

 Art. 38. § 1. Er wordt een Nederlandstalige en een Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat opgericht.

§ 2. Elke commissie bestaat uit acht werkende en acht plaatsvervangende leden van Belgische nationaliteit. De Nederlandstalige benoemingscommissie is bevoegd voor :
  1° de rangschikking van de meest geschikte kandidaten voor een benoeming tot kandidaat-notaris, waarvan de taal van het diploma van licentiaat in het notariaat het Nederlands is;
  2° de rangschikking van de kandidaten voor een benoeming tot notaris-titularis met standplaats in de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant;
  3° de klachten van particulieren met betrekking tot notariskantoren gevestigd in de gerechtelijke arrondissementen, bedoeld onder 2°.
  De Franstalige benoemingscommissie is bevoegd voor :
  1° de rangschikking van de meest geschikte kandidaten voor een benoeming tot kandidaat-notaris, waarvan de taal van het diploma van licentiaat in het notariaat het Frans is;
  2° de rangschikking van de kandidaten voor een benoeming tot notaris-titularis met standplaats in de gerechtelijke arrondissementen die deel uitmaken van de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant;
  3° de klachten van particulieren met betrekking tot notariskantoren gevestigd in de gerechtelijke arrondissementen, bedoeld onder 2°.

§ 3. De Nederlandstalige en Franstalige benoemingscommissie vormen samen de verenigde benoemingscommissies. De verenigde benoemingscommissies zijn bevoegd :
  1° voor de rangschikking van de kandidaten voor een benoeming tot notaris-titularis met standplaats in een van de tweetalige vredegerechtskantons van het gerechtelijk arrondissement Brussel, bedoeld in artikel 43, § 12, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
  2° voor de klachten van particulieren met betrekking tot notariskantoren gevestigd in de vredegerechtskantons bedoeld onder 1°;
  3° voor het opstellen van het programma van de vergelijkende toelatingsproef, bedoeld in artikel 39, § 2;
  4° om adviezen en voorstellen te doen over de algemene werking van het notariaat.

§ 4. Elke benoemingscommissie is als volgt samengesteld :
  1° drie notarissen, waarvan er één minder dan vijf jaar benoemd is, uit drie verschillende genootschappen;
  2° één geassocieerd notaris die geen titularis is;
  3° één magistraat in functie gekozen uit de zittende magistraten van de hoven en rechtbanken en de magistraten bij het openbaar ministerie;
  4° een docent of een hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit, die geen notaris, kandidaat-notaris of geassocieerde notaris is;
  5° twee externe leden met een voor de opdracht relevante beroepservaring.
  Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen die aan dezelfde voorwaarden voldoet.

§ 5. De kandidaten voor een mandaat in een benoemingscommissie mogen in de loop van hun mandaat de leeftijdsgrens voor het uitoefenen van het ambt van notaris niet overschreden hebben.
  De werkende leden van de benoemingscommissies die notaris zijn en hun plaatsvervangers worden respectievelijk aangewezen door de leden van de algemene vergadering van de Nationale Kamer van notarissen naargelang zij tot de Nederlandse of de Franse taalrol behoren.
  (De overige werkende leden en hun plaatsvervangers worden, afwisselend door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat aangewezen met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.) <W 1999-05-04/04, art. 2, Inwerkingtreding : 01-10-1999 (KB 24-09-1999, art. 1, BS 01-10-1999)>
  Elk lid wordt volgens zijn taalrol aangewezen voor de ene of de andere benoemingscommissie. De taalrol wordt voor notarissen door de taal van hun diploma van licentiaat in het notariaat bepaald; (voor docenten en hoogleraren, door de taal van de gemeenschap bevoegd inzake onderwijs, voor de universiteit waar zij benoemd zijn. Indien deze docenten en hoogleraren benoemd zijn in universiteiten die onder de bevoegdheid vallen van verschillende gemeenschappen, geldt de taal van de gemeenschap waarbij zij hun hoofdopdracht hebben). Ten minste één lid van de Franstalige benoemingscommissie of een plaatsvervanger, moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 43, § 13, tweede lid, en 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. <W 2004-07-16/32, art. 2, Inwerkingtreding : 30-07-2004>

§ 6. Een mandaat in een benoemingscommissie is onverenigbaar met :
  1° een mandaat in de Nationale Kamer van notarissen, in een kamer van notarissen, in een evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 of in een adviescomité bedoeld in artikel 38bis;
  2° de hoedanigheid van procureur des Konings;
  3° een mandaat in de Hoge Raad voor de Justitie of in de Adviesraad van de magistratuur;
  4° een bij verkiezing verleend politiek mandaat.
  Het mandaat houdt van rechtswege op indien :
  1° een onverenigbaarheid ontstaat bedoeld in het eerste lid;
  2° een lid de hoedanigheid verliest om zitting te kunnen hebben in een benoemingscommissie;
  3° een lid zich kandidaat stelt voor een benoeming tot notaris of kandidaat-notaris.

§ 7. De leden van een benoemingscommissie hebben zitting voor een termijn van vier jaar; een uittredend lid is niet onmiddellijk herkiesbaar. Niemand mag echter gedurende meer dan twee termijnen deel uitmaken van de benoemingscommissie.
  Elk lid kan op zijn verzoek van zijn mandaat worden ontheven door de voorzitter van de benoemingscommissie.
  Het werkend lid dat van zijn mandaat wordt ontheven, wordt van rechtswege opgevolgd door zijn plaatsvervanger, die het mandaat uitdient. De voorzitter verzoekt om de aanwijzing van een nieuwe plaatsvervanger die het mandaat uitdient van het plaatsvervangend lid, dat hetzij werkend lid geworden is, hetzij van zijn mandaat werd ontheven.

§ 8. Elke benoemingscommissie kiest uit haar werkende leden, bij gewone meerderheid, voor een éénmalige hernieuwbare termijn van twee jaar, een voorzitter en een vice-voorzitter die in voorkomend geval de voorzitter vervangt, alsmede een secretaris. De voorzitter en de vice-voorzitter mogen niet beiden notaris of geassocieerd notaris zijn.
  Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissies wordt beurtelings bekleed voor een termijn van twee jaar door de respectieve voorzitters van de benoemingscommissies. Het eerste voorzitterschap zal worden toevertrouwd aan de oudste van beide.

§ 9. Om geldig te kunnen beraadslagen en beslissen, moet de meerderheid van de leden van de benoemingscommissie aanwezig zijn. In geval van afwezigheid of verhindering van een werkend lid, treedt zijn plaatsvervanger op. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de benoemingscommissie, of van de vice-voorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
  Om geldig te kunnen beraadslagen en beslissen, moet bij de verenigde benoemingscommissies een meerderheid van de leden van elke benoemingscommissie aanwezig zijn. De beslissing wordt genomen bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de verenigde benoemingscommissies doorslaggevend.

§ 10. Het is de leden van een benoemingscommissie verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing waarbij zij een persoonlijk of rechtstreeks belang hebben of indien :
  1° een lid zich ten overstaan van een kandidaat in een graad van verwantschap bedoeld in artikel 8, bevindt;
  2° een lid betreffende een kandidaat een advies heeft verleend voor de benoeming waarover het gaat of lid is geweest van een adviesverlenende instantie als bedoeld in artikel 39, § 3;
  3° een lid werkgever is of was van een kandidaat of gezag over hem uitoefent of heeft uitgeoefend op professioneel vlak.

§ 11. De nadere regels voor de werking van de benoemingscommissies en het presentiegeld van de leden worden bepaald door de Koning. De benoemingscommissies kunnen een huishoudelijk reglement opstellen dat dient goedgekeurd te worden door de Koning.)

Wetsgeschiedenis