Algemeen reglementair kader met betrekking tot de regels van de notariële praktijk
Hoofdstuk II – Algemene principes

Adeling 1. Mede-optreden van meerdere notarissen

.....

Artikel 5. In de gevallen voorzien in de artikelen 1177 en 1178, 1207 tot en met 1224, 1560 tot en met 1626 – met uitzondering van de verkoop uit de hand bevolen door de rechter -, 1639 tot en met 1654 en 1655 tot en met 1675 van het Gerechtelijk Wetboek, treden andere notarissen niet mede op naast de aangestelde notaris, in akten die verleden moeten worden krachtens zijn gerechtelijke aanstelling. Deze regel doet geen afbreuk aan het recht voor iedere partij om zich te laten bijstaan door een notaris van haar keuze als raadgever.
In de andere gevallen waarin een notaris aangesteld wordt door de rechtbank, verlijdt hij alleen de akte voor de partijen bedoeld in de rechterlijke beslissing, zonder afbreuk te doen aan het recht van de andere partijen om naast deze notaris een notaris van hun keuze aan te stellen.
Wanneer de partijen geheel of gedeeltelijk afstand doen van de gerechtelijke procedure, wordt de regel van de vrije keuze opnieuw toegepast.


Commentaar
Artikel 9 § 1 van de notariswet voorziet dat iedere partij vrij een notaris kan kiezen “behoudens de gevallen waarin is voorzien in de aanstelling van de notaris door de rechtbank” Deze belangrijke uitzondering op het principe van de vrije keuze moet geïnterpreteerd worden op basis van de ratio legis. De wetgever heeft gewild dat, wanneer de notaris een opdracht van uitvoerder van de rechtsbedeling wordt toevertrouwd, hij deze opdracht tot een goed einde brengt en verantwoording aflegt aan de rechtbank zonder mede-optreden van een andere notaris, aan wie de rechtbank geen vertrouwen gegeven zou hebben. Dat is het geval voor een notaris die aangesteld wordt in het kader van een gerechtelijke verdeling, een uitvoerend beslag met betrekking tot onroerende goederen of een rangregeling, dit wil zeggen procedures waarbij de notaris optreedt en waarvan de gevolgen opgedrongen kunnen worden aan de partijen tegen hun wil. Dat is ook het geval voor de inventaris die bevolen of toegestaan wordt door de vrederechter, waarbij de wettekst expliciet de kwestie van de instrumenterende notaris regelt.
Daarentegen kan de notaris aangesteld worden door de rechtbank in zuiver minnelijke procedures doch met gerechtelijke tussenkomst (zoals de verkoop uit de hand van een onroerend goed dat toebehoort aan een onbekwaamverklaarde of afhangt van een failliete boedel), waarbij de aanstelling van de notaris zeker gericht is op de bescherming van de verkoper, maar zonder dat het daarom verantwoord is de koper de vrije keuze van zijn eigen notaris te ontnemen. Deze zal dus kunnen mede-optreden, trouwens overeenkomstig een constant gebruik, dat nooit het voorwerp is geweest van kritiek vanwege de rechtbanken.
De uitzondering van de aanstelling door de rechtbank moet dus voorbehouden worden voor het geval waarin de notaris aangesteld wordt in geschillenprocedures.
Zelfs in dat geval lijkt het gepast de partijen het recht om zich te laten bijstaan door een notaris van hun keuze als raadgever, niet te ontnemen. Maar aangezien deze niet door de rechtbank aangesteld is en de rol van de advocaat niet moet vervullen, zal hij deze opdracht van raadgever met de nodige terughoudenheid moeten vervullen. Het toekomstig deontologisch reglement zal er het kader van omschrijven.

Ten slotte weet men dat het mogelijk is in geschillenprocedures om gedeeltelijk van de gerechtelijke weg af te stappen (zo kan een onroerend goed in onverdeeldheid bijvoorbeeld uit de hand te koop gesteld worden door de mede-eigenaars, niettegenstaande de procedure van gerechtelijke verdeling die zij aangespannen hebben : de verkoopakte zou toevertrouwd kunnen worden aan een andere notaris dan de notaris die aangesteld is door de rechtbank (onder voorbehoud van het legitiem recht van deze laatste om vergoed te worden voor eventueel reeds geleverde prestaties met het oog op de verkoop in het kader van de procedure)