Belgische Notariswet - Titel III. - Beroepsorganisatie

Afdeling III. - Nationale Kamer van notarissen

....
Art. 91.Naast de taken die haar door andere bepalingen van deze wet zijn opgedragen, heeft de Nationale Kamer van notarissen tot taak :

1° de algemene regels inzake deontologie vast te stellen en een algemeen reglementair kader vast te stellen waarbinnen de bevoegdheden van de genootschappen van notarissen, bedoeld in artikel 69, 2° en 5°, en van de kamers van notarissen, bedoeld in artikel 76, 3° en 5°, uitgeoefend worden; 

2° alle geschikte maatregelen te nemen tot nakoming, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij bepaalt, van de verplichtingen die uit de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen voortvloeien; 

3° aan de kamers van notarissen noodzakelijke of nuttige aanbevelingen te doen met het oog op de naleving van de tucht; 

4° minnelijke schikkingen tot stand te brengen inzake de geschillen, bedoeld in artikel 76, 3°, tussen leden van verschillende genootschappen. Indien geen minnelijke schikking tot stand kan worden gebracht, moet zij, op verzoek van een van de bij de zaak betrokken leden, de betrokkenen horen en advies uitbrengen, behalve wat de burgerlijke rechten betreft; 

5° de algemene regels vast te stellen : 
- inzake de stage;
- inzake de boekhouding en de wijze waarop zij moet worden gevoerd; 

6° ieder jaar haar rekeningen en begroting goed te keuren en het aandeel van elk genootschap van notarissen in haar werkingskosten vast te stellen; 

7° in hoger beroep de regels te bepalen voor de overdracht aan de betrokken notarissen van alle lichamelijke en onlichamelijke roerende bestanddelen van een opgeheven plaats; 

8° op eigen initiatief of op verzoek, ten behoeve van alle openbare overheden of privé-personen, adviezen uit te brengen in verband met aangelegenheden van algemeen belang betreffende de uitoefening van het notarisberoep; 

9° binnen de grenzen van haar bevoegdheid, alle leden van de genootschappen van notarissen van het Rijk te vertegenwoordigen ten aanzien van elke overheid of instelling; 

10° in rechte op te treden, als eiser of als verweerder, in om het even welke zaak die het notarisberoep in zijn geheel aanbelangt; 

11° haar huishoudelijk reglement op te stellen. 


Om bindend te zijn, moeten de regels bepaald in het eerste lid, 1° en 5°, en de maatregelen bedoeld in het eerste lid, 2°, door de Koning goedgekeurd worden. Hij kan in voorkomend geval aanpassingen aanbrengen. Indien de Nationale Kamer van notarissen in gebreke blijft de in het tweede lid bedoelde regels of maatregelen vast te stellen, heeft de Koning de macht om zelf het initiatief hiertoe te nemen.