Deontologische code voor notarissen

Hoofdstuk I. – Algemeen principe

Artikel 2.
De notaris onthoudt zich van elk gedrag dat afbreuk doet aan het vertrouwen van de burgers in de notariële instelling of dat strijdig is met de waardigheid van het notariaat.

Toelichting
1. Het algemeen rechtsprincipe "nullum crimen sine lege" is niet toepasselijk op het tuchtrecht (Zie de mercuriale van 1 september 2000 van Procureur Generaal bij het Hof van Cassatie, Jean du Jardin, “Rechtspraak in tuchtzaken door de beroepsorden: toetsing van de wettigheid door het Hof van Cassatie, R.W. 2000-2001, blz. 785 en J.T. 2000, blz. 625). Om te beoordelen of het gedrag van een notaris strijdig is met de notariële deontologie, en voor het opleggen van een disciplinaire sanctie, dienen de provinciale kamers dus niet noodzakelijkerwijze vast te stellen dat de notaris een formele bepaling van huidige code overtreden heeft. Zij zijn er evenwel toe gehouden hun beslissing te motiveren, en daarom is het nuttig te wijzen op de principes die aan de basis liggen van de notariële deontologie : het vertrouwen verdienen van het publiek in het notariaat, geen afbreuk doen aan de waardigheid van het ambt.
2. Het vertrouwen in het notariaat en de waardigheid van het ambt zijn twee vrij verwante begrippen, waarbij het eerste wellicht het belangrijkste is, vermits het de wetgever zelf is die een vertrouwensopdracht toegekend heeft aan het notariaat (zie uiteenzetting van de memorie van toelichting van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, Parl. St. Kamer 1432/1, 97/98, blz.3 e.v.).
De waardigheid van het ambt mag nochtans niet verward worden met het vertrouwen van het publiek. De opdracht die door de wet wordt toevertrouwd aan de beroepsordes impliceert dat deze laatste een oordeel kunnen uitspreken omtrent bepaalde gedragingen (bijvoorbeeld inzake oneerlijke mededinging), die de burger niet noodzakelijkerwijze zou afkeuren, doch die door de beroepsgebruiken verboden zijn.
3. Kan het gedrag van de notaris in zijn privé-leven een inbreuk uitmaken op de waardigheid van het beroep, waarvoor een tuchtstraf kan worden uitgesproken ? De notaris heeft, zoals elke burger, recht op het respect van zijn privé-leven, dat niet het voorwerp kan uitmaken van waarde-oordelen door zijn disciplinaire overheden. De grens tussen het privé-leven en het beroepsleven is evenwel niet waterdicht. Wanneer de notaris in zijn privé-leven een gedrag aanneemt dat klaarblijkelijk afbreuk doet aan hetgeen de maatschappelijke orde aanvaardt, en daarbij zijn hoedanigheid van notaris sterk benadrukt of laat blijken, dan pleegt hij een inbreuk op de notariële deontologie.