Nationale kamer van notarissen
Deontologische code
aangenomen door de algemene vergadering van de Nationale Kamer van notarissen op 22 juni 2004

Artikel 1. Deze Deontologische Code is door de Nationale Kamer van notarissen vastgesteld in uitvoering van artikel 91, eerste lid, 1°, van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, hierna genoemd “de organieke wet van het notariaat”.
Hij is van toepassing op alle personen die het voorwerp kunnen uitmaken van de tuchtstraffen bedoeld in de artikelen 96 en 97 van voornoemde wet.


Toelichting

1. Het opstellen van de algemene regels in de deontologie behoort tot de bevoegdheden die door de wetgever worden toegekend aan de Nationale Kamer van notarissen. Dit is het voorwerp van deze code.

Deze code is evenwel niet exhaustief. Er bestaan immers nog deontologische regels die het voorwerp uitmaken van bijzondere reglementen uitgevaardigd of nog uit te vaardigen door de Nationale Kamer, op het vlak van publiciteit, vastgoedbemiddeling en bemiddeling (zie de artikelen 35, 36 en 37 hierna), alsook een Europese Code van notariële deontologie, aangenomen door de Conférence des Notariats de l’Union européenne. Doch alleen de deontologische regels die goedgekeurd werden door de Koning zijn bindend, naar luid van artikel 91, tweede alinea van de organieke wet.

2. Om te bepalen welke personen aan de deontologische code worden onderworpen, had men kunnen verwijzen naar de leden van de genootschappen van notarissen, aangeduid in artikel 68 van de organieke wet. Dit artikel vermeldt echter niet de erenotarissen, die nochtans het voorwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf, met name deze voorzien in artikel 97 c van de organieke wet. Het is dus beter te verwijzen naar de artikelen 96 en 97 van de wet, vermits de tuchtstraffen precies, volgens artikel 95 van de wet, de personen beogen die afbreuk doen aan de waardi