Notarieel examen 2001

Juist-fout / Ja-nee

II.7. vraag - antwoord : Een vader van drie kinderen heeft een onroerend goed aan zijn oudste zoon geschonken, en heeft zich het vruchtgebruik ervan voorbehouden. De andere kinderen hebben er geen weet van. De vader overlijdt zonder laatste wilsbeschikkingen na te laten. Bij de vereffening van zijn nalatenschap is deze schenking:

A.    in de nalatenschap in natura te brengen

B.    in de nalatenschap in minder ontvangst in te brengen (waarde ten tijde van de schenking).

C.    vrijgesteld van inbreng in natura.

D.    vrijgesteld van inbreng en aan te rekenen op het beschikbaar deel.

E.    in te brengen in waarde rekening houdend met de waarde in blote eigendom ten tijde van de schenking.

F.    in te brengen in waarde rekening houdend met de waarde in blote eigendom, geactualiseerd op datum van het overlijden.

Eén enkele bewering is juist. Dewelke en waarom ?