Afdeling I. - Ambt, ambtsgebied en plichten van de notarissen.
....
Art. 6. Het is de notaris verboden :
1° zijn bediening uit te oefenen buiten zijn ambtsgebied, behalve in de in artikel 5, § 2, bedoelde gevallen;
2° een kantoor of een bijkantoor te hebben buiten zijn standplaats, behoudens het geval bedoeld in artikel 52, § 1;
3° zich van een stroman te bedienen voor handelingen die hij niet zelf mag verrichten;
4° in de akten die hij verlijdt, zijn klerken te laten optreden anders dan om zich sterk te maken voor een bepaald persoon of ingevolge een algemene of bijzondere schriftelijke lastgeving;
5° in enigerlei hoedanigheid in te staan of zich borg te stellen voor de leningen die hij gelast is vast te stellen;
6° zelf of door een tussenpersoon handel te drijven;
7° zelf of door een tussenpersoon zaakvoerder, gemachtigd bestuurder of vereffenaar te zijn van een handelsvennootschap of van een nijverheids- of handelsinrichting;
8° zelf of door een tussenpersoon bestuurder te zijn van een handelsvennootschap of van een nijverheids- of handelsonderneming, tenzij hij daartoe vergunning heeft gekregen van de minister van Justitie;
9° op eigen naam of door een tussenpersoon fondsen die hij in bewaring ontvangen heeft, te eigen bate te beleggen;
10° biljetten of schuldbekentenissen te laten ondertekenen, waarin de naam van de schuldeiser oningevuld is gebleven.
De in 7° en 8° vermelde verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op de mandaten in verenigingen of instellingen in verband met zijn beroep.