Het ereloon van de notaris

Koninklijk besluit houdende het tarief van de honoraria der notarissen

Afdeling 1. Algemene bepalingen: art. 1 - 16

Afdeling 2. Tarief: art. 17

Afdeling 3. Vergoeding voor reis- en verblijfkosten: art. 18

 ereloon
 

16/12/1950 | Koninklijk besluit houdende het tarief van de honoraria der notarissen

(B.S., 25-26 december 1950)

Gelet op de wet van 31 augustus 1891 houdende tarifering en invordering van de honoraria der notarissen; Overwegende dat de evolutie der algemene voorwaarden van het economisch leven en de toegenomen sociale lasten een herziening van het tarief van de honoraria der notarissen wettigen; Gelet op het advies van de Raad van State;

(...)

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Art. 1 De honoraria der notarissen worden overeenkomstig het hiernavolgend tarief vastgesteld.

Art. 2 Het besluit van de Regent van 24 januari 1946 houdende het tarief van de honoraria der notarissen wordt opgeheven.

Art. 3 Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Art. 4 Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

16/12/1950 | Tarief van de honoraria der notarissen (B.S., 25 december 1950) Vastgesteld bij K.B. 16 december 1950 (B.S., 25-26 december 1950).

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Art. 1 Dit tarief is niet van toepassing op akten of verrichtingen, op reizen en verblijven van de notaris buiten zijn ambt als lasthebber, zaakbeheerder, deskundige of sequester. Het is inzonderheid niet van toepassing op: 1° verhandelingen die het sluiten van een contract voorafgaan; inleidende werkzaamheden die niet tot stand zijn gekomen; 2° bemoeiïngen gedaan met het oog op de legalisatie van handtekeningen, of op de aflevering van wetscertificaten; bemoeiïngen gedaan in de hypotheekkantoren; 3° het opstellen van het onwerp van besloten of eigenhandige testamenten, het bewaren van de eigenhandige testamenten vóór het bevelschrift tot nederlegging, het inbrengen ervan bij de voorzitter der rechtbank van eerste aanleg; 4° het opstellen van aangiften van nalatenschap, terugvalling, vermeerdering of ophouden van vruchtgebruik; 5° de ontvangsten.

Art. 2 Het getarifeerd honorarium van een akte omvat, met uitsluiting van al de voorschotten, het emolument van alle hoofdzakelijke en bijkomende verrichtingen van het notarisambt, waartoe die akte aanleiding geeft, behalve het recht van afschrift en de reis- en verblijfkosten. Het omvat onder meer: 1° de bijeenkomsten, raadgevingen, consultatiën, de briefwisseling, het onderzoek van de dossiers, de ontwerpen; 2° de opzoekingen die het opmaken van de akte of de aflevering der afschriften voorafgaan; 3° het opstellen van de plakbrieven of aankondigingen; 4° het opstellen van het lastkohier, van de instrumentaire akte en van de daaraan toegevoegde staat van goederen, van de processen- verbaal, onder meer van de processen-verbaal van opbod, als de toewijzing tot stand komt; 5° de inschrijving in het repertorium; 6° de zegellegging; 7° het inbrengen bij de registratie; 8° het bewaren van de minuut; 9° de mededeling, het inbrengen of de nederlegging van het ontwerp of de akte bij de besturen, ter griffie of bij de rechter, wanneer zulks door de wet aan de notaris opgelegd is; 10° de wettelijke verwittiging aan begiftigden; 11° de aflevering van het getuigschrift, voorzien in artikel 74 der wet van 15 augustus 1854 op de gerechtelijke uitwinning; 12° de aflevering van de staat van kosten van de akte en van het kwijtschrift bij artikel 11 hieronder voorzien; 13° het attest over naam, staat en woonplaats der partijen, welke aan de notaris niet bekend zijn, dat vereist wordt door artikel 11 der wet van 25 Ventôse-5 Germinal Jaar XI houdende inrichting van het notariaat, gewijzigd bij de wet van 16 december 1922; 14° de bij artikel 12 der wet van 10 oktober 1913 voorziene getuigschriften van identiteit; 15° alle informaties die veilingen van huisraad voorafgaan. Voor het opstellen van het borderel van hypothecaire inschrijving en het inbrengen bij het kantoor der hypotheekbewaring, mag de notaris enkel de frankeerkosten [en een honorarium van [2,50 EUR]] heffen.

Art. 3 Het honorarium is vast, evenredig, getarifeerd per minimum en maximum of per rol afschrift.

Art. 4 [De evenredige honoraria worden berekend op de sommen en waarden uitgedrukt in de akten of in de aanvullende verklaringen voor de kwijting van de registratierechten op het ogenblik dat de akten met dat doel worden voorgelegd. Indien de sommen en waarden niet uitgedrukt zijn, worden de honoraria berekend op grondslag van en overeenkomstig de regels bepaald voor de heffing van het registratierecht, onverminderd artikel 17, nr. 81. Ontbreken beide elementen, dan wordt gesteund op de verklaring van partijen. Men volgt de waarden [van euro tot euro], zonder breuk, met afronding tot [de hogere euro].]

Art. 5 Het minimum van het evenredig honorarium voor de akten in minuut en voor de akten in brevet bedraagt [7,50 EUR]. Het wordt op [37 EUR] gebracht voor alle akten van vennootschap.

Art. 6 Het evenredig honorarium vermindert trapsgewijs en wordt berekend volgens de aard van de akte waarop het van toepassing is door de verwijzing naar elk van de schalen van de onderstaande tabel:

Art. 7 [De honoraria voor afschriften zijn vastgesteld op [2,50 EUR] per rol van 50 regels per bladzijde en van 20 lettergrepen per regel. Elke begonnen rol wordt als een geheel aangerekend. Het proces-verbaal van afgifte van de tweede grosse is in voorkomend geval in de rollen begrepen. De honoraria voor een uittreksel uit een akte zijn dezelfde als die voor een afschrift, berekend volgens het aantal rollen van het uittreksel; de honoraria voor een verklarend uittreksel omvatten bovendien een vaste bijslag van [1,86 EUR].]

Art. 8 [Behoudens de toepassing van artikel 17, punt 52, worden de evenredige honoraria die het minimum overschrijden en de rechten van afschrift met de helft verminderd: 1. A. Wanneer de Staat, [een Gemeenschap, een Gewest], een provincie, een agglomeratie of federatie van gemeenten, een gemeente, de Koninklijke Schenking of een instelling van openbaar nut genoemd in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, hoofdpartij is bij een akte en volgens de wet de kosten dient te dragen. De openbare instellingen van de eredienst, voor weldadigheid en voor onderwijs vallen eveneens onder de bepalingen van het voorgaande lid. B. Wanneer een intercommunale vereniging, opgericht overeenkomstig de wet van 1 maart 1922 omtrent de vereniging van gemeenten tot nut van 't algemeen, en uitsluitend samengesteld uit onder A genoemde publiekrechtelijke rechtspersonen, hoofdpartij is bij de akte en volgens de wet de kosten dient te dragen. C. Wanneer het afschrift, de fotocopie of het uittreksel wordt afgegeven op aanvraag van de onder A en B genoemde rechtspersonen. 2. Wanneer de akte betreft: A. De oprichting, wijziging, verlenging of ontbinding van: 1. de Nationale maatschappij voor de huisvesting of door deze maatschappij erkende plaatselijke of gewestelijke maatschappijen; 2. maatschappijen die door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas zijn erkend en uitsluitend ten doel hebben leningen te verstrekken voor de bouw, de aankoop, de geschiktmaking en de passende inrichting van volkswoningen, kleine landelijke eigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen; 3. de Nationale landmaatschappij of door deze maatschappij erkende plaatselijke of gewestelijke maatschappijen; B. Verkrijging van goederen door de onder A genoemde maatschappijen; C. Kwijting van de verkoopprijs van door die maatschappijen aangekochte onroerende goederen; D. Lening of kredietopening toegestaan door of ten behoeve van die maatschappijen of van het Woningfonds van de Bond van de kroostrijke gezinnen van België; E. Lening of kredietopening toegestaan door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas voor de bouw, de aankoop, de geschiktmaking en de passende inrichting van volkswoningen, kleine landelijke eigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen; F. Verkoop uit de hand door de onder A genoemde maatschappijen of door een intercommunale vereniging opgericht overeenkomstig de wet van 1 maart 1922 omtrent de vereniging van gemeenten tot nut van 't algemeen, op voorwaarde dat artikel 52 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten op de akte is toegepast. 3. Wanneer de akte een ruilovereenkomst betreft waarvoor fiscale vrijstelling geldt, als bedoeld bij artikel 72 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 26 juli 1952, betreffende de ruiling van ongebouwde landeigendommen].

Art. 8 [Behoudens de toepassing van artikel 17, punt 52, worden de evenredige honoraria die het minimum overschrijden en de rechten van afschrift met de helft verminderd: 1. A. Wanneer de Staat, [een Gemeenschap, een Gewest], een provincie, een agglomeratie of federatie van gemeenten, een gemeente, de Koninklijke Schenking of een instelling van openbaar nut genoemd in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, hoofdpartij is bij een akte en volgens de wet de kosten dient te dragen. De openbare instellingen van de eredienst, voor weldadigheid en voor onderwijs vallen eveneens onder de bepalingen van het voorgaande lid. B. Wanneer een intercommunale vereniging, opgericht overeenkomstig de wet van 1 maart 1922 omtrent de vereniging van gemeenten tot nut van 't algemeen, en uitsluitend samengesteld uit onder A genoemde publiekrechtelijke rechtspersonen, hoofdpartij is bij de akte en volgens de wet de kosten dient te dragen. C. Wanneer het afschrift, de fotocopie of het uittreksel wordt afgegeven op aanvraag van de onder A en B genoemde rechtspersonen. 2. Wanneer de akte betreft: A. De oprichting, wijziging, verlenging of ontbinding van: 1. de Nationale maatschappij voor de huisvesting of door deze maatschappij erkende plaatselijke of gewestelijke maatschappijen; 2. maatschappijen die door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas zijn erkend en uitsluitend ten doel hebben leningen te verstrekken voor de bouw, de aankoop, de geschiktmaking en de passende inrichting van volkswoningen, kleine landelijke eigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen; 3. de Nationale landmaatschappij of door deze maatschappij erkende plaatselijke of gewestelijke maatschappijen; B. Verkrijging van goederen door de onder A genoemde maatschappijen; C. Kwijting van de verkoopprijs van door die maatschappijen aangekochte onroerende goederen; D. Lening of kredietopening toegestaan door of ten behoeve van die maatschappijen of van het Woningfonds van de Bond van de kroostrijke gezinnen van België [en het woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië]; E. Lening of kredietopening toegestaan door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas voor de bouw, de aankoop, de geschiktmaking en de passende inrichting van volkswoningen, kleine landelijke eigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen; F. Verkoop uit de hand door de onder A genoemde maatschappijen of door een intercommunale vereniging opgericht overeenkomstig de wet van 1 maart 1922 omtrent de vereniging van gemeenten tot nut van 't algemeen, op voorwaarde dat artikel 52 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten op de akte is toegepast. 3. Wanneer de akte een ruilovereenkomst betreft waarvoor fiscale vrijstelling geldt, als bedoeld bij artikel 72 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 26 juli 1952, betreffende de ruiling van ongebouwde landeigendommen].

Art. 9 Wanneer een akte bepalingen bevat die uit elkander voortvloeien of van elkander afhankelijk zijn, zodanig dat ze, in rechte [...], maar één verrichting in zich sluiten, wordt alleen het honorarium voor de hoogst getarifeerde bepaling geheven. Wanneer die samenhang niet bestaat, wordt het honorarium voor elke der bepalingen geheven, zonder dat echter een zelfde waarde meer dan éénmaal aan het evenredig honorarium kan onderworpen zijn.

Art. 10 Voor het neerleggen van een onderhandse akte onder de minuten, wanneer door die nederlegging de nedergelegde akte wordt erkend, wordt het honorarium betaald dat zou verschuldigde geweest zijn indien de notaris de akte opgemaakt had. In het tegenovergestelde geval wordt het honorarium van [7,50 EUR] betaald.

Art. 11 De notaris levert een kwijtschrift af telkens als hij sommen als provisie ontvangt of als hij voorgoed de emolumenten regelt voor een door hem verleden akte of voor een reis of een verblijf, uit hoofde van zijn ambt gedaan. Het kwijtschrift van definitieve regeling geeft het nummer op van het toegepast tarief en vermeldt omstandig de bedragen, ontvangen voor iedere akte, reis of verblijf, alsook het aantal rollen wanneer het honorarium per rol afschrift geheven wordt.

Art. 12 Geen emolumenten zijn aan de notaris verschuldigd, indien de akte, het afschrift of het uittreksel door zijn schuld nietig is.

Art. 13 Wanneer meer dan één notaris aan een zelfde akte medewerkt, wordt daardoor het honorarium niet verhoogd.

Art. 14 Afstand of verdeling van honoraria is alleen onder notarissen toegelaten. Behalve wanneer het anders overeengekomen is, geschiedt de verdeling op de volgende wijze: de notaris die de minuut bewaart, heeft recht op twee derden van het honorarium van de akte en van het eerste afschrift; de andere notaris heeft recht op het overige derde. Het honorarium van de andere afschriften komt toe aan de notaris die de minuut onder zich heeft.

Art. 15 Behoudens in geval van verlenging van vennootschap moet, voor de akten houdende verlenging van de termijn, het achtste betaald worden van het honorarium dat zou verschuldigd zijn voor de akte waaruit het recht ontstaat.

Art. 16 Elke inbreuk op dit besluit wordt gestraft met de straffen voorzien in artikel 1 der wet van 6 maart 1818, gewijzigd bij artikel 1 der wet van 5 juni 1934, onverminderd de toepassing van de tuchtstraffen.

Afdeling 2. Tarief

Afdeling 3. Vergoeding voor reis- en verblijfkosten

Art. 18 [De notaris die zich voor het opmaken van een ambtelijke akte moet verplaatsen heeft recht op [0,15 EUR] per kilometer zowel voor de heen- als voor de terugreis; de afstanden worden berekend volgens de gegevens en nadere regelen bepaald in het boek der wettelijke afstanden.]

(Vervangen bij art. 9 K.B. 22 januari 1971 (B.S., 28 januari 1971), met ingang van 28 januari 1971 (art. 10) en gewijzigd bij art. 4, § 1 K.B. 20 juli 2000 (B.S., 30 augustus 2000 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 32).

 

2747.com / law / / / recht

contact

Publiekrecht Burgerlijk recht