Algemeen reglementair kader met betrekking tot de regels van de notariële praktijk
Hoofdstuk II – Algemene principes

Afdeling 2. Recht op ereloon

Artikel 6. Het mede-optreden van een bijkomende notaris naast de notaris die aanvankelijk aangewezen werd, moet vergoed worden door een aandeel in het ereloon van de akte.

Er wordt een uitzondering gemaakt op dit principe in de volgende gevallen :

a) wanneer de keuze van de notaris(sen) in de initiële overeenkomst tussen de partijen vermeld staat, en er duidelijk gestipuleerd werd dat de partijen geïnformeerd werden over hun recht om ieder een notaris te kiezen zonder dat dit een verhoging van de kosten veroorzaakt voor zover deze keuze binnen de acht kalenderdagen na de ondertekening van de overeenkomst medegedeeld wordt, zal de verdeling van het ereloon niet meer gevraagd kunnen worden door de notaris wiens aanwijzing gevraagd wordt na verloop van die termijn. De provinciale reglementen mogen een langere termijn voorzien.

b) bij gebrek aan een initiële overeenkomst bedoeld onder a), zal de verdeling van het ereloon niet meer gevraagd kunnen worden door de notaris die na verloop van een redelijke termijn om mede-optreden verzoekt.


Commentaar
Het eerste lid van dit artikel stelt het basisprincipe vast. Het mede-optreden van een notaris bij een akte wordt vergoed door een aandeel in het ereloon van die akte. Men zou geen afbreuk kunnen doen aan de vrije notariskeuze door aan de partij die deze keuze doet op te leggen een andere vergoeding ten laste te nemen.

Maar dit principe heeft grenzen, wanneer een partij, na vrij en bewust haar recht uitgeoefend te hebben om een notaris te kiezen, deze keuze wijzigt door het mede-optreden van een nieuwe notaris te vragen naast de notaris die aanvankelijk aangewezen werd. Zij behoudt zeker het recht om haar keuze te wijzigen, maar het is normaal dat zij er de gevolgen van draagt : de laatst aangewezen notaris die niet betrokken wordt in de verdeling van het ereloon van de akte, zal zich rechtmatig kunnen laten vergoeden krachtens een met de cliënt die hem aanwijst, op te stellen overeenkomst. Men zal trouwens opmerken dat deze uitzondering in principe verantwoord wordt door twee overwegingen die verband houden met de notariële deontologie :
- de eerste overweging komt voort uit de onpartijdigheidsplicht, bekrachtigd door de wetgever van 1999.
Heel wat cliënten, dat is algemeen gekend, vragen spontaan aan de notaris om bij de behandeling van het dossier een standpunt in te nemen dat alleen overeenkomt met hun belang. De notaris is verplicht dit te weigeren, omwille van zijn onpartijdigheidsplicht. Deze houding is moeilijk vol te houden indien hij het risico loopt het ereloon te moeten delen met een confrater, die enkel aangewezen is omdat hij blijk gegeven heeft van onafhankelijkheid van geest, vereist door zijn functie.
- de verleiding voor een notaris om zijn aanwijzing te vragen naast de aanvankelijk gekozen notaris, met de zekerheid dat hij in alle omstandigheden in het ereloon zal delen, moet afgewezen worden.
Het belang van dit basisprincipe verantwoordt echter dat de uitzondering binnen strikte grenzen gehouden wordt :
a) in een eerste hypothese, wordt de keuze van notaris vermeld in de aanvankelijke overeenkomst tussen partijen (het klassieke voorbeeld is dat van de koop-verkoopovereenkomst). De notaris die na deze overeenkomst aangewezen zou worden moet slechts betrokken worden bij de verdeling van het ereloon op twee voorwaarden :
- de informatie : in de overeenkomst moet duidelijk gestipuleerd worden dat iedere partij ingelicht is over haar recht om een notaris te kiezen zonder dat er voor haar een verhoging van de kosten uit voortvloeit;
- de bedenktermijn : niettegenstaande deze informatie, beschikt iedere partij over een termijn van acht kalenderdagen om haar wil te kennen te geven een bijkomende notaris aan te wijzen.
Er wordt voorzien dat de reglementen van de genootschappen de voorwaarden waaronder de uitzondering toegestaan wordt nog strenger zouden kunnen maken (maar zij zouden deze niet mogen verlichten).
b) in een tweede hypothese, is er aanvankelijk geen overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de keuze van notaris. Maar deze blijkt uit het dossier. De cliënt heeft stilzwijgend een notaris gekozen door briefwisseling met hem te voeren, door hem documenten op te sturen, door deel te nemen aan vergaderingen in zijn kantoor, door hem opmerkingen mee te delen over de ontwerpakte. Mag hij op de laatste minuut het mede-optreden van een bijkomende notaris vragen ? Ja, dat is zijn vrije keuze. Mag hij opleggen dat hij vergoed wordt door de verdeling van het ereloon ? Neen, dat is de uitzondering op het principe. Bij afwezigheid van een aanvankelijke overeenkomst, kan de laattijdige aard van de aanwijzing niet geregeld worden door de teksten. De kamers van notarissen zullen hun advies moeten geven over het begrip “redelijke termijn”, en de rechtbanken zullen moeten oordelen in geval van aanhoudend conflict.