Algemeen reglementair kader met betrekking tot de regels van de notariële praktijk
Hoofdstuk II – Algemene principes

Afdeling 2. Recht op ereloon

Artikel 7. Onder voorbehoud van hetgeen gezegd is in artikel 6, staat, in geval van vervanging van een aanvankelijk aangewezen notaris, de notaris die de akte verlijdt hem een deel van het ereloon af, in functie van de prestaties die hij geleverd heeft, zonder afbreuk te doen aan het recht van verhaal van de vervangen notaris ten aanzien van de cliënt indien hij oordeelt onvoldoende vergoed te zijn door het deel ereloon dat hem afgestaan wordt.


Officiele commentaar:
Dit artikel beoogt een verschillende hypothese als deze van artikel 6. Het gaat niet meer om een cliënt die het mede-optreden van een bijkomende notaris vraagt, naast de aanvankelijk aangeduide notaris, maar om een cliënt die een notaris aanduidt ter vervanging van die eerste notaris.

Het principe van de vrije keuze van notaris houdt in dat de akte verleden zou worden door de laatst benoemde notaris. In functie van de evolutie van het dossier op het moment waarop de vervanging gebeurt (en dus in functie van het reeds gepresteerde werk, voor zover het goed gedaan is), zal de laatst benoemde notaris een deel van zijn ereloon afstaan aan de vervangen notaris. Hier ook, moet de kamer van notarissen in voorkomend geval om advies gevraagd worden en moet de rechtbank beslissen. Maar het is niet zeker dat het afgestane ereloon overeenkomt met het geleverde werk ( de laatst benoemde notaris zal het door zijn voorganger verrichte werk moeten nakijken : de opeenvolgende prestaties worden niet naast mekaar geplaatst, ze overlappen mekaar altijd in een bepaalde mate, hetgeen een supplementaire kost met zich brengt). Daarom wordt eraan herinnerd dat de vervangen notaris een recht van verhaal tegen de cliënt behoudt indien hij oordeelt dat hij onvoldoende vergoed is door het deel van het ereloon dat hem afgestaan wordt). De cliënt zal in dat geval deze vergoeding kunnen betwisten indien hij bewijst dat de vervanging van de notaris verantwoord is omwille van de gebreken van de eerste notaris.

Men zou zich vragen kunnen stellen over de juiste afbakening van de respectieve toepassingsgebieden van de artikelen 6 (aanwijzing van een bijkomende notaris) en 7 (vervanging van de aanvankelijk aangewezen notaris). De praktijk toont aan dat deze twee hypothesen vrij gemakkelijk te onderscheiden zijn. In het geval van artikel 6 heeft een van de partijen het initiatief genomen om de aanwijzing van een ntoaris voor te stellen, en de andere partij voegt zich naar deze keuze. Later wil die andere partij haar eigen notaris aanwijzen. In het geval van artikel 7, heeft de cliënt rechtstreeks een notaris van in het begin aangewezen (vaak met medeoptreden van de notaris die aangewezen wordt door zijn medecontractant) en wil deze keuze wijzigen. In het eerste geval verklaart de cliënt meestal de wijziging van zijn oorspronkelijke keuze door het vertrouwen dat hij heeft in de nieuwe notaris. In het tweede geval, door het vertrouwen dat hij niet meer heeft in de vroegere notaris.
In dubbelzinnige situaties, zal de kamer van notarissen advies moeten geven, en de rechtbank moeten beslissen.