Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

Identificatie van de cliënten en interne organisatie op het niveau van de in de artikelen 2, 2bis en 2ter beoogde ondernemingen en personen.

Art. 8. De ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis en 2ter onderzoeken met een bijzondere aandacht elke verrichting die ze, uit hun aard of door hun ongebruikelijk karakter gelet op de activiteiten van de cliënt, de begeleidende omstandigheden of de hoedanigheid van de betrokken personen, bijzonder vatbaar achten voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.
  De in de artikelen 2 en 2bis, 5°, bedoelde ondernemingen en personen stellen een schriftelijk verslag op over dit onderzoek; dit verslag wordt toegestuurd aan de in artikel 10 bedoelde personen voor bewaring gedurende de door artikel 7 voorgeschreven termijn.
  Na advies van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen en de cel voor financiële informatieverwerking, kan de Koning een lijst opstellen van verrichtingen inzake deviezen die specifiek geacht worden verband te houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme en waarover in de artikel 2 bedoelde ondernemingen en personen een schriftelijk verslag moeten opstellen, dat aan de in artikel 10 bedoelde personnen wordt toegestuurd.

Commentaar