Belgische Hof van Cassatie 4 mei 2001

Overwegende dat krachtens artikel 557bis par. 8 BW de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen is aan de regels die bepaald zijn in de titel 'Erfenissen' van hetzelfde wetboek.
 
Overwegende dat krachtens artikel 883 BW iedere mede-erfgenaam geacht wordt alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling zijn ten deel gevallen en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad;

Dat die wetsbepaling enkel betrekking heeft op de verwerving van de eigendom van de goederen, alsmede op het tenietgaan van op onverdeelde goederen gevestigde zakelijke rechten en de niet-tegenwerpelijkheid van daarop gevestigde persoonlijke rechten in het geval het goed toebedeeld wordt aan een andere mede-erfgenaam dan degene die het recht heeft gevestigd, maar geen afwijkende regeling bevat betrefffende het toekomen van de vruchten van de onverdeelde goederen aan de deelgenoten;
Dat dit artikel aldus niet uitsluit dat de deelgenoot die alleen het onverdeelde goed heeft gebruikt of het exclusieve genot ervan heeft gehad, een vergoeding verschuldigd is die tussen de deelgenoten dient verdeeld te worden;
Dat het middel faalt naar recht.
Tijdschrift voor notarissen 2001, p. 466