Hof van Cassatie 3 juni 2004

Overwegende dat artikel 47 van de Pachtwet bepaalt dat bij de verkoop van een in pacht gegeven landeigendom, de pachter geniet van het recht van voorkoop voor zichzelf of de nader in het artikel bepaalde personen, die daadwerkelijk aan de exploitatie van dit goed deelnemen, volgens de in de daaropvolgende artikelen bepaalde regels;

Dat artikel 50, derde lid van die wet bepaalt dat wanneer het gepachte goed slechts deel is van het te koop gestelde eigendom, het recht van voorkoop van toepassing is op het gepachte goed en dat de eigenaar gehouden is voor dit goed een afzonderlijk aanbod te doen;

Dat artikel 51, eerste lid van die wet bepaalt dat in geval van verkoop met miskenning van de rechten van voorkoop van de pachter, deze het recht heeft ofwel in de plaats te worden gesteld van de koper, ofwel van de koper een schadevergoeding kan eisen;

Dat uit die bepalingen die de bescherming van de pachter beogen, volgt dat wanneer het gepachte goed slechts een deel is van de te  koop gestelde goederen, de verkoper die de goederen als geheel te koop stelt, de waarde van respectievelijk de verpachte en niet verpachte goederen niet mag bepalen op een wijze die bedoeld is om de uitoefening van het wettelijk gewaarborgd voorkooprecht van de pachter te verhinderen;

Overwegende dat de appelrechters in de bestreden beslissing oordelen dat de hoge prijs voor de gepachte goederen kunstmatig gecompenseerd werd door een lage prijs voor de hoeve en dat hierdoor het recht van voorkoop van de pachter op bedrieglijke wijze door de verkoper werd omzeild;

Dat zij hierdoor, ongeacht hun beoordeling over de prijssimulatie, naar recht konden beslissen dat de verkopers het voorkooprecht van de pachter hadden miskend;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;