Aankoop met geld van een ander

Artikel 9 W. Succ. is altijd een gevaarlijk artikel geweest. Het is niet aan de fiscus om iets te bewijzen, maar het is aan de belastingplichtige om iets te bewijzen.

Op 14 februari 2006 is hier dan een parlementaire vraag over gesteld.

De minister (voor zijn fiscale administratie) is van mening dat men moet bewijzen dat het geld geschonken is geweest voordat een onderhandse verkoopsovereenkomst werd ondertekend.

Naar de toekomst toe zou dit goed nieuws kunnen zijn, althans voor diegenen die zich nog aan het tegenbewijs willen wagen. Immers, de minister zegt nu zelf dat een aankoop met geld van een ander kan.

Maar dit antwoord van de minister brengt slechts nieuws voor al diegenen die in het verleden een eigendom voor het vruchtgebruik hebben aangekocht met geld dat hen vooraf werd geschonken door diegene die de naakte eigendom aankoopt. Immers, als zij niet kunnen bewijzen (wat meestal het geval zal zijn) dat de gelden geschonken werden voorafgaand aan de ondertekening van de onderhandse verkoopsovereenkomst, dan zullen zij het tegenbewijs tegen het vermoeden van artikel 9 W. Succ. niet leveren.

Als artikel 9 niet van toepassing is, kan er nog sprake zijn van veinzing.