Hof van Cassatie 24 februari 2005

Overwegende dat uit de vaststellingen van het arrest, en uit het beroepen vonnis waarnaar het verwijst, blijkt dat de doorslaggevende feiten van de zaak als volgt kunnen worden samengevat:
    1. op 16 november 1989 legt verweerder een verzoekschrift neer tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten;
    2. de echtgenoten leven ongeveer een jaar lang gescheiden en gaan dan tot 11 juli 1997 opnieuw samenwonen;
    3. op 13 november 1998 dagvaardt eiseres verweerder opdat zijn rechtsvordering zou worden afgewezen en stelt zij een tegenvordering in tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten;
    4. het vonnis van 25 april 2000, dat in kracht van gewijsde is gegaan, beschikt afwijzend op verweerders rechtsvordering omdat hij het bewijs van zijn beweringen niet levert, en spreekt op de rechtsvordering van eiseres de echtscheiding uit;

   Overwegende dat, ingevolge artikel 1278 , tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terugwerkt tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet;

   Dat er, in de zin van die bepaling, meer dan één vordering is wanneer, zoals hier, twee vorderingen tot echtscheiding tegelijkertijd bestaan;

   Overwegende dat het arrest, dat eerst vaststelt dat de partijen sinds de hervatting van het samenwonen en de tegenvordering van eiseres meer dan zeven jaar hebben samengewoond en dat de echtgenoten elkaar tijdens die periode zijn blijven steunen, en op die grond de gevolgen van de echtscheiding tussen de partijen t.a.v. hun goederen laat terugwerken tot op 13 november 1998, zijnde het tijdstip van de tweede vordering tot echtscheiding, aan voornoemd artikel 1278, tweede lid, een voorwaarde toevoegt en bijgevolg die wetsbepaling schendt;

   Dat het middel gegrond is;

   En overwegende dat de vernietiging van het dictum betreffende het tijdstip tot waar de gevolgen van de echtscheiding terugwerken wat de goederen van de echtgenoten betreft, wegens het verband tussen die beslissingen leidt tot de vernietiging van het dictum betreffende de toepassing van artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

(Tijdschrift voor notarissen 2007, p. 30)

noot


(Echtscheidingsjournaal 2006, afl. 5, 82)