BW Boek III - Titel III : Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen

Hoofdstuk V : Tenietgaan van de verbintenissen (art. 1234 - 1314)

Afdeling II. - Schuldvernieuwing

Art. 1271. Schuldvernieuwing komt tot stand op drieërlei wijze :
  1° Wanneer de schuldenaar tegenover zijn schuldeiser een nieuwe schuld aangaat welke gesteld wordt in de plaats van de oude, die teniet gaat;
  2° Wanneer een nieuwe schuldenaar gesteld wordt in de plaats van de vorige, die door de schuldeiser van zijn verbintenis ontslagen wordt;
  3° Wanneer, ten gevolge van een nieuwe verbintenis, een nieuwe schuldeiser gesteld wordt in de plaats van de vorige, ten opzichte van wie de schuldenaar van zijn verbintenis ontslagen wordt.

  Art. 1272. Schuldvernieuwing kan slechts tot stand komen tussen personen die bekwaam zijn om contracten aan te gaan.

  Art. 1273. Schuldvernieuwing wordt niet vermoed; de wil om ze tot stand te brengen moet duidelijk uit de handeling blijken.

  Art. 1274. Schuldvernieuwing door het in de plaats stellen van een nieuwe schuldenaar kan tot stand komen zonder de medewerking van de eerste schuldenaar.

  Art. 1275. Een delegatie, waarbij een schuldenaar aan de schuldeiser een andere schuldenaar geeft die zich tegenover de schuldeiser verbindt, brengt geen schuldvernieuwing teweeg, indien de schuldeiser niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zijn schuldenaar die de delegatie gedaan heeft, van zijn verbintenis wil ontslaan.

  Art. 1276. De schuldeiser die de schuldenaar door wie de delegatie gedaan is, heeft ontslagen, heeft geen verhaal op deze schuldenaar, indien de in de plaats gestelde schuldenaar onvermogend wordt, tenzij bij de overeenkomst uitdrukkelijk voorbehoud daaromtrent is gemaakt, of tenzij de in de plaats gestelde schuldenaar ten tijde van de delegatie zich reeds in staat van faillissement of in staat van kennelijk onvermogen bevond.

  Art. 1277. De enkele aanwijzing, door de schuldenaar, van een persoon die in zijn plaats moet betalen, brengt geen schuldvernieuwing teweeg.
  Hetzelfde geldt voor de enkele aanwijzing, door de schuldeiser, van een persoon die voor hem moet ontvangen.

  Art. 1278. De voorrechten en hypotheken die aan de oude schuldvordering verbonden waren, volgen de schuldvordering die in haar plaats gesteld wordt, niet, tenzij de schuldeiser zich die uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

  Art. 1279. Wanneer schuldvernieuwing tot stand komt doordat een nieuwe schuldenaar gesteld wordt in de plaats van de vorige schuldenaar, kunnen de oorspronkelijke voorrechten en hypotheken, aan de schuldvordering verbonden, niet overgaan op de goederen van de nieuwe schuldenaar.

  Art. 1280. Wanneer schuldvernieuwing tot stand komt tussen de schuldeiser en een van de hoofdelijke schuldenaars, kunnen de aan de oude schuldvordering verbonden voorrechten en hypotheken alleen voorbehouden worden op de goederen van degene die de nieuwe schuld aangaat.

  Art. 1281. Door schuldvernieuwing, tussen de schuldeiser en een van de hoofdelijke schuldenaars tot stand gekomen, zijn de medeschuldenaars bevrijd.
  Schuldvernieuwing, ten aanzien van de hoofdschuldenaar tot stand gekomen, bevrijdt de borgen.
  Wanneer echter de schuldeiser, in het eerste geval, de toetreding van de medeschuldenaars of, in het tweede geval, die van de borgen geëist heeft, blijft de oude schuldvordering bestaan, indien de medeschuldenaars of de borgen weigeren tot de nieuwe schikking toe te treden.