BW - Boek III - Titel III : Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen

Hoofdstuk V : Tenietgaan van de verbintenissen (art. 1234 - 1314)

Afdeling VII. - Vordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van de overeenkomsten

Art. 1304. In alle gevallen waarin de rechtsvordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van een overeenkomst niet door een bijzondere wet tot een kortere tijd is beperkt, duurt deze rechtsvordering tien jaren.
  In geval van geweld begint deze tijd eerst te lopen van de dag waarop dit heeft opgehouden en, in geval van dwaling of van bedrog, van de dag waarop deze zijn ontdekt.
  Ten aanzien van handelingen van onbekwaamverklaarden, begint de tijd te lopen van de dag waarop de onbekwaamverklaring is opgeheven; en ten aanzien van handelingen van minderjarigen, van de dag van de meerderjarigheid.
  
  Art. 1305. Eenvoudige benadeling levert grond op voor vernietiging ten voordele van de niet ontvoogde minderjarige, wat betreft alle soorten van overeenkomsten; en ten voordele van de ontvoogde minderjarige, wat betreft alle overeenkomsten die de grenzen van zijn bekwaamheid te buiten gaan, zoals deze bepaald is in de titel Minderjarigheid, voogdij en ontvoogding.

  Art. 1306. De minderjarige kan niet in zijn recht hersteld worden uit hoofde van benadeling, wanneer deze enkel het gevolg is van een toevallige en onvoorziene gebeurtenis.

  Art. 1307. De enkele verklaring van de minderjarige dat hij meerderjarig is, verhindert niet dat hij in zijn recht hersteld wordt.

 Art. 1309. De minderjarige kan niet in zijn recht hersteld worden betreffende overeenkomsten in zijn huwelijkscontract vervat, wanneer die zijn aangegaan met de bijstand van zijn ouders, één van hen, of bij ontstentenis daarvan, met de toestemming van de jeugdrechtbank.

  Art. 1310. Hij kan niet in zijn recht hersteld worden tegen de verbintenissen die volgen uit zijn misdrijf of oneigenlijk misdrijf.

  Art. 1311. Hij is niet meer ontvankelijk om op te komen tegen een verbintenis die hij tijdens zijn minderjarigheid heeft aangegaan, hetzij die verbintenis nietig was naar de vorm of slechts aanleiding gaf tot herstel, wanneer hij de verbintenis na zijn meerderjarigheid heeft bekrachtigd.

  Art. 1312. Wanneer minderjarigen of onbekwaamverklaarden, als zodanig, worden toegelaten tot herstel in hun recht tegen hun verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die verbintenissen is betaald tijdens de minderjarigheid of de onbekwaamverklaring, van hen niet worden teruggevorderd, tenzij bewezen is dat het betaalde tot hun voordeel gestrekt heeft.

  Art. 1313. Meerderjarigen worden, uit hoofde van benadeling, in hun recht niet hersteld dan in de gevallen en onder de voorwaarden die in dit Wetboek uitdrukkelijk bepaald zijn.

  Art. 1314. Wanneer de formaliteiten, ten aanzien van minderjarigen of van onbekwaamverklaarden vereist, hetzij voor de vervreemding van onroerende goederen, hetzij bij de verdeling van een nalatenschap, zijn in acht genomen, worden de minderjarigen of onbekwaamverklaarden, met betrekking tot die handelingen, beschouwd alsof zij die verricht hadden na hun meerderjarigheid of voor hun onbekwaamverklaring.

Wetsgeschiedenis